Historiek
De donkerder bakstenen gaan terug op een verbouwing en vergroting op het einde van de middeleeuwen tot een laatgotische, driebeukige kerk. Eerst kwam een vernieuwd koorgedeelte en de Onze-Lieve-Vrouwbeuk en rond 1540 een derde beuk, de huidige Sint-Corneliusbeuk met daarin de toegemetselde lijkdeur. Aalter was toen meer bewoond aan de zuidkant en door die deur werden de afgestorvenen binnengedragen.
Onze drie klokken (1)
Als er een priester is, die de functie van de kerkklokken in het parochiaal leven weet aan te wenden, dan is het wel onze pastoor Alain Babylon. Zowel bij droeve als bij blije gelegenheden mogen ze hun stem over ons dorp laten horen. Over die klokken is er ook wel iets te vertellen.
Toen in het begin van de 17e eeuw de toren naar de noordkant verhuisde, werd ook het enige klokje meer verhuisd. Frans De Potter en Jan Broeckaert, geschiedschrijvers ook van ons Aalterse verleden vermelden in een document van 1615 het bestaan van deze klok. In de linkerkant van de dwarsbeuk is nog steeds het klokkengat te zien waardoor de klok werd omhoog getakeld, maar ook waardoor het klokkentouw hing.
Over die klok weten we alleen, dat ze einde 18e eeuw door het Franse leger, tijdens de revolutiejaren, werd gestolen om tot kanonnen te worden omgegoten, en pas in 1808 met giften van de parochianen werd vervangen. Dit gebeurde tijdens het pastoraat van Franchois De Vleeschauwer. De peter was Karel van Merode, voormalig heer van Woestijne en de meter was Maria Jacoba Aernaut, weduwe van baljuw Guillaume Boghaert. De klokkengieter heette Clemens Drouot.
Jongens rond de gestolen klokken:
van l. naar r. : onbekend, Frans De Muynck, Gabriël De Muynck, Willy Lambrecht, Robert Pisonier, Jozef Vandenbroecke, Willy De Muynck, Robert Van Driessche, Antoine De Bruyne, onbekend.
Het volgende jaartal, dat in de geschiedenis van deze klok vermeld staat,is 1887. Toen luidde ze voor een begrafenis en scheurde de mantel. Er was een barst in van 36 cm lang. Ze diende dan ook te worden hergoten, en toen woog ze 950 kilogram.
Op 29 november 1898 kwam Z.E. Heer Deken Sallet van Nevele ( dekenij waartoe we toen behoorden) een nieuwe klok dopen en wijden. Jawel, ook klokken worden gedoopt. Het was de oude klok die werd hergoten door klokkengieter Felix Van Aerschot van Leuven. Ze werd toen vergroot tot een gewicht van 1211 kg en haar toon was mi. Peter was Blandinus Coignet, voorzitter van de kerkfabriek en ook actief in de pas opgerichte fanfare "Eendracht". Meter was Mevrouw Maria Rutsaert, echtgenote van de toenmalige burgemeester Henri Soudan. Op de klokkenmantel stond de spreuk "Me vocaverunt Cornelius" (Mijn naam is Cornelius). Voor de financiële kant zorgde onze eigen kerkfabriek.
Wij vonden geen gegevens over de oorlogsjaren 1914-1918. Wij menen ons te herinneren – uit mondelinge informatie dat, gezien Cornelius toen de enige klok was, men ze omgemoeid heeft gelaten. Wel is ze, zonder grote gevolgen, naar beneden gevallen bij het springen van de toren, die, zoals we eerder schreven, pas in 1923 weer was hersteld.
We moeten nog wachten tot 1938 voor er twee kleinere klokken in onze toren bijkomen. Dit was tijdens het pastoraat van E.H. Theofiel Neyt. Toen werden er twee nieuwe klokken gedoopt en gewijd. De ene Carolus (Karel) geheten en 800 kg. zwaar, was een gift van de heer en mevrouw Karel Bockaert-Godelieve Lambrechts, de andere, Jozef, 600 kg. zwaar werd door de heer en mevrouw Emiel De Pauw-Euphrasie Bruggeman geschonken.
Onze drie klokken (2)
Op 11 augustus 1943 haalden de Duitsers de grote klok, Cornelius, samen met Jozef uit de toren. Ze lieten alleen Carolus hangen. De KSA-ers en andere jonge knapen van die tijd gingen protesterend bij de klokken staan en een van hen schreef er met krijt op: Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet !" Jozef De Muynck, buurman van de kerk en verwoed fotograaf, zag ze vanuit een zolderraam wegvoeren en lukte erin om een gedurfde foto te maken van dit "verguisde" transport. Dit kon, omdat een andere wagen in de Brouwerijstraat, het konvooi in de Kerkstraat hinderde.
Het duurde nog tot 8 februari 1953, voor de dienst oorlogsschade er kon voor zorgen, dat de twee gestolen klokken werden vervangen. Deken De Pauw van Nevele kwam er twee dopen en wijden. De eerste heette opnieuw Cornelius, weegt 1170 kg. en de peter was August Goeminne, in die tijd voorzitter van de kerkraad; meter was Mevrouw Henri D’Hulster-Maria Martens. De tweede werd weer Jozef gedoopt, was 870 kg. zwaar en kreeg als peter Jozef Faut, schatbewaarder van de kerkraad en als meter Mevrouw Hector Maenhout-Elvira Haesaert. Zo hangen er nog steeds drie klokken in onze toren.
Wegrijdende wagen met de gestolen klokken
Een volgende stap in het leven van onze klokken was, het installeren van een elektrische aandrijving. Tot dan moesten aangesteld klokkenluiders de trap in het torentje aan de noordkant van de kerk beklimmen om daar de touwen te vinden en de klokken te laten kleppen of luiden. De laatste klokkenluiders waren Gabriël en Frans De Muynck en kerkbaljuw Adiel De Wulf.
De gebroeders De Muynck combineerden dit ook met het opwinden en onderhouden van het uurwerkmechanisme, dat al dateert van 1852, vernieuwd werd in 1905, weer vernield in 1918 en slechts lange tijd nadien hersteld, na de wederopbouw van de toren (1923). Bij de kerkrestauratie omstreeks de jongste eeuwwisseling werd het klokmechanisme nogmaals vernieuwd en wordt het nu elektronisch gestuurd vanuit de sacristie.
HET VAN PETEGHEM-ORGEL (1)
Op ons orgel wordt mooi gespeeld, zowel voor de begeleiding van de zang als voor de "intro", de "sortie" en het tussenspel in de diensten. Organist Pieter Lambert en soms ook zijn zoon Martijn zorgen daarvoor.
Niet enkel om de kerkelijke diensten op te luisteren, maar ook om als lesinstrument te dienen voor de leerlingen van de Gemeentelijke Academie die pijporgel willen leren is ons orgel een waardevol onderdeel van het kerkinterieur.
Wie het al goed heeft bekeken, merkt aan het uitzicht ook de geschiedenis van dit historisch orgel. Je merkt duidelijk het oude en het nieuwe gedeelte, niet alleen aan de kleur, maar ook aan de stijl.
Er is enige onzekerheid over het feit of dit oudste gedeelte wel het eerste orgel is dat onze Corneliuskerk bezat. "Op 4 januari 1755", zo leest onze eminente historicus Arthur Verhoustraete het volgende: "door de goede jonsten van de parochianen is in deser prochie gestelt eenen orgel, tot vermeerderinghe van Godts eere ende glorie ende tot aanwackerijnghe van de devotie". Hij besluit daaruit dat dit wellicht het eerste orgel zou zijn sedert de godsdienstberoerten.
Maar Luc Stockman-ook niet aan zijn proefstuk-vond, dat een oud orgel, al daterend uit de 17e eeuw werd verkocht aan de Sint-Agathakerk van Landskouter. We zullen dit in ‘ t midden laten, maar zeker is dat het oude orgel dateert van 1754: een respectabele leeftijd.
Emiel De Wulf aan het klavier.
Het werd gebouwd door Pieter Van Peteghem, de oude, een Gentse orgelbouwer die vele generaties van orgelbouwers voorbracht, die in de kerken van onze contreien en ook ver daarbuiten orgels mochten plaatsen. Nog recent werd (wordt) in Gent, op 6 mei een Mozartdag gevierd, om te gedenken hoe de jonge Amadeus in de kapel van het klooster van Baudelo, op het gloednieuwe Van Peteghemorgel (1763) speelde. De Gentse stuurgroep "Van-Peteghem-orgels" grijpt dit voorval aan, om de bekende familie te gedenken.
Het orgel werd inderdaad grotendeels gesponsord door de parochianen, maar wellicht kwam het leeuwenaandeel van de som-500 gulden-van de zuster van de plaatselijke heer van Aalter. Dit kunnen we ook merken aan het ovale schild vooraan op het orgel, dat een combinatie is van dit van de families Rubempré en Van Merode.
Rubempré: "d’argent à trois jumelles de gueule(s)" (vertaald: van zilver met drie tweelingbalken van keel (rood).
Merode : "d’or à quatre pals de gueule(s)" (vertaald: van goud met vier palen van keel).
De heer van Aalter was toen immers Maximiliaan, Leopold, Joseph van Merode, prins van Rubempré en zijn zuster was Sabina, Maria van Merode, prinses van Rubempré. Het ovale schild, gedragen door twee klimmende leeuwen, wijst duidelijk op een vrouw.
Meer dan tweehonderd jaar deed het orgel goede diensten, zoals het een Van Peteghemorgel betaamt. Het overleefde de Franse revolutie, de twee Wereldoorlogen en de serieuze verbouwingen van onze kerk.
Schild van de schenkers.
Het voelde aan zijn klavier en aan zijn registerknoppen de vingers van o.a. die van vele generaties familie Versele. Benedictus was koster-organist van 1750 tot 1766; zij zoon Joannes-Cornelius van 1767 tot 1793 en Lieven Versele van 1794 af. In 1814 was Bernardus Versele organist en zijn broer Ludovicus was koster. In 1845 is de neef van Bernard Versele, eveneens Bernard genaamd, koster en zijn broer Constand Versele organist. Tussen haakjes: de huidige familie Versele stamt van deze kosters-onderwijzersfamilie af.
De Generatie Versele sluit af omstreeks de eeuwwisseling 1900, met het ontslag van Alexander Versele in 1996 die opgevolgd wordt als koster en organist door Remi Grijspeirt. Zijn zoon Eugène Grijspeirt was toen al "orgelblazer" en volgde in 1906 zijn vader op als koster en organist. Van toen af aan bleven beide functies lange tijd samen.
Eugène Grijspeirt bleef tot 1943, dus 37 jaar lang, tot hij opgevolgd werd door Emiel De Wulf, die in 1939 afgestudeerd was en tot bij zijn aanstelling enkel het mannenkoor Sint-Cecilia dirigeerde. Tot 1979 bleef Emiel De Wulf de dubbele taak uitoefenen, tot hij met pensioen ging en nog nauwelijks voor enkele missen achter het klavier kwam. Er brak toen een periode van gelegenheidsorganisten, sommigen al waardevoller dan anderen. Zo mocht men geregeld rekenen op Alex De Ceuleners, zelf organistenzoon uit Poeke. In 1994 nam Pieter Lambert de taak van organist over.
HET VAN PETEGHEM-ORGEL (2)
Met het orgel zelf was er toen al heel wat gebeurd. Ik maakte, als oksaalzanger de periode nog mee van het oude orgel, met zijn blaasbalg in een houten kast. De treden die de blaasbalg met lucht moesten helpen vullen, staken er uit. Ik zie nog Raymond De Vliegher dapper trappen. Dit gebeurde eerst geregeld, later alleen wanneer de elektriciteit uitviel en dus ook de compressor. De organist zat achter het orgel met slechts één klavier en volgde in een schuinstaand spiegeltje het verloop van de goddelijke diensten.
Toen kwam E.H. Neyt en… het jaar 1959, het jaar van zijn 25-jarig pastoorsjubileum. Men had hem graag, als geschenk, een nieuw orgel aangeboden, maar allerlei problemen over het uitzicht, de grootte, het achterliggend raam, de verbouwing enz. maakten, dat het nog tot 1963 duurde vooraleer een nieuw orgel plechtig kon worden ingewijd. Er waren toen heel wat steunkaarten van 500 frank aan de man gebracht.
Er werd geopteerd voor een restauratie aan het oude positief, het aanbrengen van versierde zijstukken in de oude stijl en erbovenop een moderner uitziende nieuwe pijpenkast. Ik bespaar u, beste lezer, de dispositie, de zogenaamde technische kant met voetwerk, hoofdwerk en positief, het aantal registers, wipjes, knoppen en andere speelhulpen. Het was de firma Jos. Loncke en zonen uit Esen (W.Vl.) die onder advies van Prof. Gabriël Verschraeghen, organist van Sint-Baafs te Gent het werk uitvoerde.
Het was ook deze laatste die op zondag 22 december 1963 te 15.00 u. aan het klavier zat in de plechtigheid met orgelrecital en een daaropvolgend lof. Mgr. L. De Kesel, hulpbisschop van Gent, werd bij de plechtige wijding bijgestaan door E.H. B. De Pauw, deken van Nevele.
Wellicht bekijkt en beluistert u nu ons orgel met iets andere ogen en vooral oren. Wat onze bedoeling was.
DE VIER BIECHTSTOELEN (1)
Niemand kan ontkennen, dat de private oorbiecht in de biechtstoel erop achteruit is gegaan en meestal vervangen is door gezamenlijke boetevieringen met of zonder belijdenis.
Het is hier niet de plaats en ook niet mijn bevoegdheid daarover enige uitspraak te doen. Alleen kan ik beschrijven, waarom die mooie, maar nu nog weinig gebruikte kerkmeubelen er kwamen en hun functie verwierven.
Het is pas bij het concilie van Trente (van 1545 tot 1563) waarin de contrareformatie de gevolgen van de reformatieve bewegingen probeerde te herstellen, dat in de rooms-katholieke kerken biechtstoelen zijn verschenen. Dit was het gevolg van de uitspraak in het concilie “dat Christus dit sacrament had ingesteld” en dat de kerkelijke verplichting er kwam, dat "wie tot de jaren van discretie was gekomen minstens éénmaal per jaar verplicht was te biechten."
Daarvoor bestonden in de eerste eeuwen alleen publieke boetevieringen soms–bij zwaar vergrijp–openbare belijdenissen met langdurige boete. Hier en daar bestond wel de private biecht. Het was immers het 4e concilie van Lateranen, in het jaar 1215, dat de private biecht als verplichtend oplegde. Maar in de tweehonderd jaren die tussen beide concilies liggen was daarvan weinig in huis gekomen. De reactie van het concilie van Trente was dan ook onder andere gericht tegen de algemene verzwakking van de
boetepraktijk.
Dus kwamen er overal biechtstoelen in de kerken. Sommige–vooral in het Zuiden–met open knielbanken aan weerszijden van de zitplaats van de biechtvader; in het Noorden meestal met gordijnen of gesloten hokjes en met een tralievenstertje en een schuifdeurtjes.
De vier biechtstoelen in onze kerk hebben al een respectabele leeftijd. Zo dateert de biechtstoel in Lodewijk XI-stijl aanleunend bij de gildebank in de Sint-Corneliusbeuk al uit de 17e eeuw. Het is een mooi voorbeeld van barok met getorste zuilen en met overdadige versiering van engelen en korven fruit. Er is geen medaillon met een of andere bijbelse figuur in verwerkt. De maker van deze mooie biechtstoel konden we niet achterhalen.
Dit is wel het geval van de overige drie biechtstoelen in rococostijl waarvan er twee dateren van 1761. de eerste staat naast de reeds vermelde, wat verder in de Corneliusbeuk en draagt terecht het medaillon van een bijbelse boetvaardige "zondaar", nl. de apostel Petrus. De overige twee in dezelfde stijl bevinden zich in de O.L.-Vrouwbeuk en – koor. In de medaillons ervan staan bas-reliëfs van koning David en van Maria-Magdalena, twee andere notoire zondaars uit de bijbel.
DE VIER BIECHTSTOELEN (2)
Twee van die biechtstoelen zijn het werk van Ludovicus, Jacobus Draeyers, die in dezelfde periode ook de mooie lambriseringen van het hoogkoor vervaardigde, samen met beeldhouwer Jacobus Martens, beiden van Gent. De vierde biechtstoel, met medaillon van Maria-Magdalena kwam er pas in 1841 en werd vervaardigd door Augustin en Petrus Vuylsteke. Hij moest dezelfde zijn als "den bieghtstoel als nu digt bij de aengewezen plaets staende", zo vroeg de toenmalige kerkraad-opdrachtgever.
Doorheen de latere eeuwen zijn aan deze biechtstoelen geen veranderingen aangebracht. Ze overleefden ook bijna ongeschonden de troebele tijden en oorlogen.
Dat er vier waren bleek in de voorbije eeuwen wel noodzakelijk, niet alleen omdat onze parochie meestal drie priesters telde, een pastoor en twee onderpastoors (in een bepaalde periode, voor Sint-Maria-Aalter een parochie werd, zelfs drie) maar ook omdat op sommige dagen in het kerkelijk jaar–als de vasten–en bij bepaalde feesten het aantal biechtelingen heel groot was. De biechtelingen hadden dan ook graag–of was het om andere redenen–de biechtvader van hun keuze.
Ik herinner me nog heel goed, dat er aan de biechtstoelen een naam was aangebracht en zelfs een elektrisch belknopje, dat in de sacristie een plaatje met een nummertje deed neervallen, waardoor de biechtvader werd ingelicht, dat er een "klant" op hem wachtte. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de maandelijkse communiemis van de Xaverianen en de H.Hartbond. De gelovigen kwamen vroeg om nog voor de mis hun zonden te belijden, als ze dit niet de dag voordien hadden gedaan.
Ook de donderdag voor de eerste vrijdag van de maand, als de schoolkinderen te biecht kwamen en in lange rijen voor de biechtstoelen aanschoven, was dit noodzakelijk. Soms kwam er zelfs een "vreemde biechtvader" een handje toesteken. Ik kom hierop nog eens terug in een volgende bijdrage over de zg. "zendingen" of "volksmissies.
Een andere eigenaardigheid was de zg. "biechtpenning", een vrijwillige gave, die aan de biechtvader werd gegund in de verplichte paastijd. Er was daar zelfs een klein afneembaar tabletje bij voorzien, dat aan het halve deurtje van de biechtstoel kon worden opgehangen. Deze praktijk heb ik in de tweede helft van de voorgaande eeuw weten afschaffen.
In de biechtstoel zelf zegt de biechteling dan eerst hoe lang het geleden is dat hij te biecht is geweest, belijdt dan zijn zonden (doodzonden of dagelijkse zonden), wacht dan op een meestal bemoedigend woordje van de priester, krijgt de absolutie (vergeving :"Ego te absolvo…."-"Ik ontsla u…") en ook een penitentie (soort van straf) die meestal bestaat uit een aantal gebeden of soms ook wel een zwaardere geestelijke oefening.
In de lagere school was het noodzakelijk de kinderen hiervoor te oefenen en bepaalde formuleringen aan te leren.
HET VOLKSMISSIEKRUIS (1)
Boven de eerste biechtstoel, dichtbij de kruisweg in de O.L.Vrouwbeuk, hangt een kruisbeeld, met daarnaast Maria en Johannes. En wie al de tekst daarover heeft gelezen, in het lijstje tegen de wand van de biechtstoel, zal weten welk kruis dit wel is.
Het is het kruis dat werd gebruikt bij de om-de-zoveel-jaar voorkomende volksmissies. Wie in 1962 al voldoende oud was, om als volwassene of schoolkind de 12-daagse "Heilige Missie" mee te volgen, zal zich nog die dagen van volksdevotie herinneren. Die korte periode van poging tot vernieuwd godsdienstig leven kreeg echter allerlei namen : "volksmissie", "heilige missie","heilige zending", "volkspredikingen" of gewoon "missie".
Eigenlijk zijn ze al ontstaan in de 18e eeuw, onder impuls van Alfonso, Maria de Liguori (1690 –1787), stichter van de redemptoristen. Die zijn dan ook de grootste promotoren en predikanten ervan geweest. Later traden echter ook de kapucijnen, de minderbroeders-franciscanen, de jezuïeten en de dominicanen in hun voetspoor.
Vooral de periode van de eeuwwisseling van de 18e naar de 19e eeuw wilde de kerk het katholieke leven een heropflakkering geven. Men zag in het laïciserende gedachtegoed, dat ook de Franse Revolutie bezielde, een teloorgang van het geestelijk leven. De katholieken moesten massaal bewogen worden tot "bekeeringhe van hun zondige leven" . Er werd gedreigd met hel en verdoemenis en de biechtstoelen werden letterlijk bestormd. Er ontstond inderdaad werkelijk een katholiek reveil.
In ons bisdom vraagt Mgr. Delebecque (1838-1864) bij zijn visitaties aan de parochies om ermee te beginnen en zijn opvolger Mgr. Bracque (1865-1880) dringt aan om er een vaste gewoonte van te maken, zodat volksmissies een steeds weerkerend onderdeel van de pastoraal worden, ook in de plattelandsgemeenten. Principieel was dit om de tien jaar.
Wanneer die in onze parochie precies zijn gestart, konden we niet nagaan, daar het zg "liber memorialis", waarin de pastoor zulke gebeurtenissen noteerde, enkele jaren geleden verloren is gegaan. Wel weten we, dat Hansbeke, dat tot dezelfde dekenij behoorde, ermee begon in 1843. Wij bezitten wel herdenkingsprentjes die dateren van 1872, van 1893 en van 1924. Die laatste "Heilige Zending" werd gepredikt door de jezuïetenpaters, Steyaert, Huysman en Taelman.
HET VOLKSMISSIEKRUIS (2)
Gewoonlijk duurden die perioden van prediking van 8 tot 12 dagen en meestal waren drie paters verantwoordelijk voor de sermoenen met verschillende onderwerpen. Er werd er naar gestreefd om 100 % van de parochianen te bereiken, zodat dus ook de schoolkinderen van kleuter tot tiener aan hun trekken kwamen.
De laatste dagen groeiden de sermoenen soms uit tot echte “donderpreken” om de gelovigen de schrik voor de dood en de hel te bezorgen, maar hen ook na bekering en boete het geluk en de hemelse zaligheid te verzekeren.
Zo herinner ik me nog heel goed de volksmissie van 1935, onder de pas geïnstalleerde E.H. Neyt – ’t was immers al van 1924 geleden - gepredikt door de redemptoristenpaters Geerebaert, Van Hoorenbeeck en Waelkens (de jongste: dus voor de kinderen). Ik stond als kleine koorzanger op het oksaal om boeteliederen te helpen zingen en zag vooraan in de kerk de katafalk van de begrafenissen staan - een zwart met zilver versierd, met kaarsenhouders gesteund doek – met op elk van de kaarsen een kartonnen doodshoofd. Niet te verwonderen, dat er daarna vier biechtvaders hun “werk” hadden.
Tijdens W.O. II was er geen volksmissie, maar heel kort daarna, nl. van 24 maart tot 7 april 1946 kwamen de redemptoristen EE.PP Baeyens en Bradt onze parochianen tot meer geloofsleven aanwakkeren.
Dan duurde het tot 1954 wanneer drie passionisten, waaronder onze eigen dorpsgenoot pater Achiel Bral, samen met zijn collega’s, paters Mattheus en Oswald de volksmissie predikten. Op de foto zie je pater Achiel het missiekruis torsen en kun je ook merken hoe een stoet van schoolkinderen naar een van de plechtigheden stapt. Die “zending” verliep van 24 maart tot 7 april, dus meer dan de gewone duur.
De laatste missie in onze parochie gehouden had plaats van 13 tot 25 november 1962 en werd gepredikt door de kapucijnenpaters Baziel, Gildard en Paskal. Zoals elders was de belangstelling al sinds W.O.II sterk gaan dalen, samen met de geleidelijk ontkerkelijking. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965)° zal dan ook heel andere accenten leggen.
DE DRIE ALTAREN
Ook het altaar en zijn betekenis en functie in de kerk is doorheen de eeuwen zeer sterk gewijzigd.
Bij de eerste christenen was het gewoon de tafel waarop het Laatste Avondmaal van Jezus werd herhaald en herdacht. Toen echter de eucharistie meer tegenwoordigheid dan offermaal begon te worden, kreeg het altaar een aantal functies bij. De hostie was toen “het sacrament”. Er kwam een sluitbaar tabernakel, waarin de geconsacreerde hostie(s) in een ciborie of in een pixis kon worden bewaard.
Er stond vaak ook een uitstellingstroon boven het tabernakel waarin de (re)monstrans (montrer =tonen) kon worden uitgesteld vooral tijdens het lof. Dit was een plechtigheid helemaal gewijd aan het “heilig sacrament des altaars” met uitstelling, zegen, latijnse liederen of liederen in de moedertaal en aanroepingen. Er kwam een antipendium (voorzetstuk met versieringen) en weerszijden van het tabernakel retabels die meestal bijbelse taferelen voorstelden i.v.m. de eucharistie.
In de meeste kerken kwamen er dan twee of meerdere altaren, want er waren toen ook meer priesters: parochiepastoors of kapelaans. In basilieken, kathedralen of andere grotere kerken, waar in de middeleeuwen de verschillende gilden hun kapel hadden, vond men in elk van die kapellen een altaar. Het was vaak toegewijd aan de patroonheilige van de gilde en er stonden dan ook beelden en retabels, schilderijen of halfverheven beeldhouwwerken verwijzend naar die patroonheilige.
Ook in onze Sint-Corneliuskerk waren er al vroeg verschillende altaren en we weten er wel een en ander over. Zo wijdde op 12 augustus 1513 de plaatsvervanger van de bisschop van Doornik-toen nog ons bisdom-hier "acht autaeren in de heleghe kercke van Haeltre: Eerst Onse Vrauwen autaer, Ste Cornelis autaer, Ste Gheleyns autaer, Ste Landeraden autaer, Ste Pieters autaer, Ste Denijs autaer, Ste Loeys autaer ende der Noot Gode autaer", dus voor die tijd een meer dan behoorlijk aantal.
Tijdens de Geuzenberoerten in de tweede helft van de 16e eeuw bleef de kerk eerst gespaard van de zg."beeldenstorm" maar later, omstreeks 1590 werd ze door Hollandse Vrijbuiters vrijwel tot een ruïne herschapen en bleef ze jarenlang zo liggen. Geleidelijk werden herstellingswerkjes uitgevoerd en werd alleen de Sint-Corneliusbeuk en het altaar weer enigszins bruikbaar.
In 1613 kwam Bisschop Triest van het nieuwe bisdom Gent op visitatie en constateerde dat er enkel een draagbaar altaar was en een ingemaakte kast voor de eucharistie. Enkele jaren later, in 1627, kon hij echter vermelden dat er al een mooi tabernakel op het hoofdaltaar stond en in 1637 waren er al taferelen boven het hoofdaltaar en ook boven de twee zijaltaren van O.L.-Vrouw en Sint-Cornelius.
Het is in de latere eeuwen bij die drie altaren gebleven, hoewel die soms werden opgeknapt zoals in 1752, waaruit men een rekening vond: "over het marbleeren ende vergulden van den autaer van den voorn. H. Cornelius".
Op 19 maart 1831 besloot pastoor Joannes De Langhe (zie grafsteen rechts in
het hoogkoor) een nieuw hoogaltaar te laten bouwen voor een bedrag van 2.000 gulden (de Hollandse tijd is nog net niet voorbij). Pas twee jaar later schonk de gemeente hiervoor een toelage van 1.000 frank "voor den nieuwen hoogen autaer".
Het zal nog duren tot bij de grote restauratie van begin 20e eeuw dat de huidige drie altaren, aangepast aan de neogotische stijl van de vernieuwde kerk er één voor één worden geplaatst.
Zo kwam er in 1907 al het zijaltaar van O.L.-Vrouw in witte Comblan-Chien marmer met retabels in halfverheven houtsnijwerk die de Boodschap en de Opdracht voorstellen. Er kwam in het midden een mooi Mariabeeld in gepolychromeerd hout.
Alles werd gemaakt in de ateliers van Eduardus Van den Eynde-Kregersman te Gent. Hiervoor gaven Clemens Soudan en burgemeester Henri Soudan een gift van 5.000 fr.
Twee jaar later kwamen er dan ook het nieuwe hoogaltaar en het Sint-Corneliusaltaar allebei uit dezelfde atelier: het hoogaltaar eveneens uit hetzelfde marmer met zuilen van roze Italiaanse marmer en met retabels die de vermenigvuldiging van de broden en het laatste avondmaal voorstellen. Natuurlijk kwam er in het midden een mooi tabernakel in verguld koper met binnenin op de deurtjes geschilderde, aanbiddende engelen.
Het Sint-Corneliusaltaar is eveneens in marmer met retabels in gepolychromeerd hout die respectievelijk voorstellen : de genezing van een zieke vrouw en de marteldood van de heilige. Dit altaar kostte 5.000 frank en het hoofdaltaar 10.000 frank, onkosten die wellicht door de kerkfabriek werden gedragen.
Natuurlijk stonden toen de celebrerende priesters met hun rug naar de gelovigen en was er ook van het hele gebeuren weinig te verstaan, daar het in het latijn geschiedde, tot het Tweede Vaticaans Concilie besliste niet alleen de volkstaal tot liturgische taal te promoten maar ook het altaar en de priester dichter bij het volk te brengen. Het altaar werd opnieuw offertafel.
Een tijd lang was dit bij ons een eerder stijlloos kerkmeubel tot in 1994 E.H. Pierre De Wulf besloot de stijlvolle communiebank uit de kapel van zijn kasteel Nobelstede aan onze kerk te schenken. Daar werd een passend altaar van gemaakt dat aangevuld werd met drie lezenaars in dezelfde stijl. Zo staan ze sindsdien nu zinvol naast mekaar: het altaar waar "het Brood wordt gebroken" en de lezenaars van waarop "het Woord wordt gesproken".
DE TWEE GRAFSTENEN IN HET HOOGKOOR (1)
In ons hoogkoor hangen links en rechts twee goed bewaarde grafstenen van overleden pastoors. Het is niet omdat zij de merkwaardigste zielenherders van onze parochie waren maar stellig omdat zij uit welgestelde families kwamen en zich dergelijke grafstenen konden veroorloven, te mooi om buiten tegen de kerkmuur te worden ingemetseld.
Tussen de 55 gekende pastoors die onze parochie al onder hun hoede hadden waren er die, meer dan deze twee priesters, hun stempel op het parochiale leven hebben gedrukt. We kennen hun namen dank zij Arthur Verhoustraete en E.H. Fr. Michem, eertijds pastoor van Vinkt, die het moeilijke opzoekingswerk deden.
Zo was er o.a. pastoor Jakob Collins (1566-1573), die tijdens de godsdienstberoerten, als enige van de streek aan het oude geloof vasthield; Joannes Francenius (Fransen) (1616-1640) die veel deed voor de heropbouw van de toen verwoeste kerk; Jeremias Baes (1652-1662)die de relikwie van Sint-Cornelius uit Rome kon verkrijgen.
En na het Ancien Régime: pastoor Emiel Van Besien (1869-1892), die zich hard opstelde tijdens de schoolstrijd van 1879; Theodoor Dalschaert (1892-1812), die bij de restauratie van 1903 betrokken was; Theofiel Neyt (1934-1963) die, in zijn meer dan 25 jaar pastoraat, de problemen van zijn te politiek geëngageerde voorganger wist te herstellen.
Maar keren we terug naar de twee priesters waarvan de grafstenen in het hoogkoor hangen.
De eerste grafsteen links is er een uit de 18e eeuw met mooi in marmer uitgehakte Romeinse letters. Hij heeft een fraaie witte zandstenen omlijsting. De tekst is in het Latijn. De plaat is er niet alleen aangebracht als herinnering aan pastoor Petrus, Albert de Roo, maar ook voor diens ouders, en andere minder duidelijke familieleden, die niet in Aalter, maar in Lendelede zijn begraven.
Op de steen lezen we, dat pastoor de Roo de zoon was van Judocus de Roo, burgemeester van Izegem (Emelgem) en griffier van Lendelede, waar hij in 1708 overleed. De moeder heette Barbara Kint en die overleed in 1721
Petrus, Albert de Roo was hier eerst gedurende vier jaar onderpastoor, maar werd, op voorstel van de abt van Sint-Maartensabdij van Doornik, die hier te Aalter de tienden mocht ontvangen, tot pastoor benoemd. Hij was hier pastoor van 1702 tot 1751, dus bijna 50 jaar. Daar hij al op zijn 24e levensjaar pastoor was, moet hij in 1688 geboren zijn.
Over zijn pastorale activiteiten is, voor zo’n lang pastoraat, relatief weinig teruggevonden. We kunnen wel vermoeden, dat zijn familie vermogend was, want hij leende herhaalde malen grote sommen aan verschillende van zijn parochianen. Heeft hij het ook voor de kerk gedaan?
Tijdens zijn pastoraat werd aan de noveen van Sint-Cornelius in de maand september, door Paus Clemens XI een volle aflaat verbonden. We bezitten daarvan nog een mooie authentieke aanplakbrief, waarvan jaarlijks omstreeks de Sint-Corneliusdagen een afdruk in de kerk uithangt.
In 1724, dus ook onder zijn pastoraat, werd een parochiaan, Augustinus van Zevecote, tot subdiaken gewijd. Hij was de zoon van Pieter van Zevecote, die van 1719 tot 1721 burgemeester van het Land van de Woestijne was en van 1710 tot 1712 confrériemeester van de Sint-Corneliusgilde. In die familie zal ook pastoor de Roo wel een vinger in de pap hebben gehad.
Zijn koster was toen Petrus Rogghe. Hij cumuleerde dit ambt met de functie van onderwijzer. De opvolger van Petrus was Benedictus Versele die we al ontmoetten in onze bijdrage over het Van Peteghemorgel van 1754.
In de periode van pastoor de Roo’s pastoraat werd hier ook de communiebank geplaatst, toen als nieuw geschonken door Isabella Naessens, en nu omgevormd tot gildebank. (Zie onze 2de bijdrage). Ook kreeg het koor een warmer uitzicht door het aanbrengen van een lambrisering.
DE TWEE GRAFSTENEN IN HET HOOGKOOR (2)
De tweede grafsteen, rechts in het hoogkoor herdenkt een priester van na de Franse Revolutie, nl. pastoor Joannes, Zacheus, Ludovicus De Langhe, de eerste pastoor die na de revolutie de instelling meemaakte van de zg. kerkfabriek, een instelling die voortaan de kerkelijke goederen zou beheren.
Hij was eerst onderpastoor geweest in Bellem. Zijn ouders en zijn voorouders verwijzen naar een welgestelde familie in onze deelgemeente Bellem, zijn geboortedorp. Je kunt de namen aflezen in de tekst op de grafsteen. Langs moederszijde stamt hij immers af van de familie Wijts die eertijds in Bellem op het kasteelgoed in de Mariahovelaan woonden en van de familie Bake die bij ons in Maria-Aalter het Bakensgoed bezat. Al van in de 18de eeuw waren ze er de eigenaars van. Tussen haakjes: in het Bakensgoed overnachtte pastoor De Langhe toen hij, wanneer Maria-Aalter nog geen parochie was, zijn parochianen ging bezoeken.
In 1811 werd Joannes De Langhe pastoor te Aalter en bleef dit 29 jaar. Hij deed zijn best om in de toenmalige uitgestrekte parochie, die bijv. in 1827 al 5409 zielen telde een tweede onderpastoor te bekomen, wat hem dan ook gelukte. Bij hem woont, in de Aalterse pastorie, vanaf dat jaar F.L.Van Grootven als onderpastoor en in afwachting van zijn gemeentelijke weddetoelage, schoot pastoor De Langhe hem het geld voor.
We weten van hem nog, dat hij in 1830 vijfhonderd nieuwe kerkstoelen kocht en dat hij in 1831 een nieuw hoogaltaar liet bouwen. (Zie voorgaande bijdrage over de altaren)
Pastoor De Langhe was dus, in tegenstelling met zijn opvolgers een meer dan welgesteld man. Zijn grafsteen in wit en zwart marmer in het hoogkoor getuigt nog altijd van de rijkdom van zijn familie.
Bij zijn overlijden op 13 maart 1840 schonk hij een legaat van 1.000 fr. aan de kerkfabriek en aan het armbestuur van Aalter. De interest van dit bedrag diende elk jaar voor een jaarmis met brooduitdeling voor de armen en ook voor het zingen van een wekelijkse mis op donderdag en een lof op zaterdag. Later werd deze fundatie door de familie afgekocht. Zoiets gebeurde geregeld, omdat anders deze gewoonte diende "ten eeuwigen dage" voortgezet.
ONZE DOOPVONTEN
Achteraan in de kerk bevindt zich de doopkapel, een uitgebouwde ruimte in de achterste travee, nieuw gebouwd bij de vergroting van de kerk vanaf 1903.
De oude doopvont die nog geregeld wordt gebruikt, staat er, afgesloten met een ijzeren hek. Ze is vervaardigd uit veelkleurig marmer, met een voet in ronde buikvorm uit grijswit gevlamd marmer. Bovenaan is er een ronde kuip en onderaan een vierkante sokkel in bruinwit gevlamd marmer. Bovenop de kuip ligt een geelkoperen deksel, dat met scharniertjes kan openklappen. We kennen niet de maker of de schenker(s) ervan, maar in vergelijking met bijv. de kerk van Nevele kunnen we geredelijk aannemen dat ze al uit de 18e eeuw dateert.
Waar vroeger de kinderdoop eigenlijk eerder werd gezien als een soort van "veiligheid en garantie" op de hemel, kreeg die nu, gelukkig, andere betekenissen. Vooral wegens het grote sterfterisico bij de pasgeborenen, moest de doop zo vlug mogelijk gebeuren. Dokters en vroedvrouwen-en zelfs ook anderen personen-hadden zelfs de toelating om een baby dadelijk een nooddoop toe te dienen. De meeste kinderen werden immers thuis geboren.
Nog in mijn eigen geval in 1925 en zelfs bij onze eigen kinderen van 1949 tot 1963, toen er in Aalter een materniteit bestond; was de doopplechtigheid zo vlug mogelijk na de geboorte. Gevolg daarvan was, dat de moeder-die toen nog tot negen à tien dagen "platte rust" werd gedwongen-niet bij de doop aanwezig was. Stel je voor !
Dat de doopkapel toen zo dicht mogelijk bij de ingang van de kerk was gelegen, kwam voor uit de gedachte, dat men eigenlijk een kleine "heiden" binnenbracht, die zo spoedig mogelijk moest worden gezuiverd van de erfzonde, voor hij(zij) het waard waren om het gebouw van de leden van de Heilige Kerk binnen te mogen.
Om sommige plechtigheden familiaal en gezamenlijk te kunnen vieren, wenste pastoor André De Paepe ook wel een doopvont in het koor. Toen vroeg hij in 1998 aan Omer Loontjens, onze knappe kunstsmid-denk maar aan de torentjes van Poekekasteel, de kiosk op de Markt, de monumentjes van Maria-Aalter en noem maar op-om een verplaatsbare doopvont te vervaardigen. Omer bezat een koperen fornuisketel van zo’n 120 liter, een familiestuk al daterend uit de 19e eeuw, dat door bemiddeling van wijlen meester Prosper Debussche, een boerenvriend, in de familie Loontjens was terechtgekomen.
Samen met niet-meer-gebruikte, getorste kandelaars uit de vroegere lijkdiensten, verwerkte Omer dit tot een stijlvolle doopvont. Het deksel vervaardigde hij uit een blad nieuw koper. Zo werd een profaan stuk huisraad, eertijds gebruikt in een kinderrijke familie, zinvol dienstbaar gemaakt aan een sacramenteel gebeuren. Terecht werd voor de maker, Omer Loontjens, naar aanleiding van zijn diamanten bruiloft, op de nieuwe doopvont een koperen herdenkingsplaatje aangebracht
Van de doopplechtigheden bij de oude doopvont, of bij die in het koor vind je in het parochieblad geregeld de neerslag in sprekende foto’s. Je moet er eens een komen bijwonen, om de betekenis te vatten. Getrouw wordt ook elke keer de dag en het uur ervan aangegeven en wordt nu ook met klokkengelui aangekondigd, dat er een nieuw, klein godskind onze gemeenschap binnentreedt. Het is een ritueel van verbondenheid en liefde tussen ouders en peter en meter en het kind en de hele gelovige familie van de Vader.
EEN PAAR KUNSTVOORWERPEN UIT ONZE KERK
De 17e en vooral de 18e eeuw waren voor onze Sint-Corneliuskerk eeuwen waarin ze met een aantal mooie stukken werd verrijkt. Geleidelijk werden de verwoestingen van omstreeks de jaren 1600 hersteld en werd zelfs de Onze-Lieve-Vrouwbeuk in zijn vroegere toestand herbouwd. Het opsmukken kon dan ook langzamerhand gebeuren.
We hadden het al over de prachtige-nog bestaande-lambriseringen in rococostijl in het koor, die in 1761 door Ludovicus, Jacobus Draeyers werden geplaatst, met daarin de medaillons van Petrus en Paulus. We schreven ook al over de biechtstoelen, het orgel, de gildebank en de oude doopvont. Maar daarnaast werden ook nog andere voorwerpen voor de eredienst verworven.
Zo schonk, in 1673 al, ene raadspensionaris Franciscus Van de Vyvere van Gent aan onze kerk twee mooie koperen kandelaars. Ze worden nog geregeld gebruikt. Je kunt ze zien staan, keurig opgepoetst op hun drie bollen. Ze dragen het volgende opschrift: "Dono Domini Francisce Van De Vivere Gandavensis Pensionarii Anno 1673". We vroegen ons af hoe die man met onze parochie was gerelateerd, maar Luc Stockman vond, dat hij, zoals vele stedelingen, een grootgrondbezitter was, die hier in Aalter over ettelijke domeinen beschikte.
In die eeuw, maar dan wat vroeger, nl; in 1608, is ook de merkwaardige reliekhoorn van Sint-Cornelius naar Aalter gekomen. Het is een echte runderhoorn, belegd met zilveren, gegraveerde bandjes en versierd met bijna uitgewiste miniatuurschilderijtjes, die Onze-Lieve-Vrouw en de Heilige Cornelius voorstellen.
Uit de daaropvolgende eeuw dateren nog zes andere, minder grote koperen altaarkandelaars, een stijlvol wierookemmertje samen met een nu verdwenen bijpassend vat. Op 18 mei 1741 werd een mooie stralenmonstrans verworven en in 1761 een ciboriekelk van verguld zilver uit een Gents atelier.
Over het verdwenen wierookvat wil ik een persoonlijke noot vertellen. In februari 1950 brak er brand uit in de sacristie. Er was veel schade aan de binnenbekleding, maar ook een aantal voorwerpen bleven in de brand. Zo was er een prachtig wierookvat, dat door Kanunnik G. Van der Gheyn speciaal wordt vernoemd in zijn "Oudheidskundige Inventaris van Oost-Vlaanderen", Artikel Aeltre: "een schelpvormig wierookvat: Louis XV-stijl", daterend uit de 18e eeuw.”.-Ik zie het nog voor mij, want ik heb het, naast talrijke andere voorwerpen-o.a. ook de biechtstoelen, de bovenvermelde kandelaars enz.-in allerlei standen getekend, toen ik, in de jaren 1944-1946 wekelijks in Sint-Lucas te Gent de leergangen natuurschetsen volgde. Jammer genoeg bleken, toen ik na de brand, naar die "huiswerktekeningen" vroeg, ook daar alles te zijn vernietigd. Zo kan ik alleen een paar andere schetsen uit die jaren over kerkschatten laten zien.
Er woonde eind 18e eeuw in Aalter een bekende smedenfamilie Dierickx (Dieryckx). Carolus, F. Dierickx, maakte toen, in 1791, het mooie geel- en roodkoperen, grote processiekruis, dat een paar jaren geleden nog door Omer Loontjes werd gerestaureerd. Het werd geschonken door ene familie Bleyaert-Blomme, wellicht bij hun huwelijk. Je kunt dit lezen op het kruis zelf.
En, alhoewel niet binnen de kerk, maar hierbij nauw aansluitend mag het volgende worden vermeld: In 1771 mag Carel Dierickx een nieuwe haan op de toren plaatsen. De rekeningboeken vermelden "aan Carel Dierickx, L 3, 6, 1 (drie pond, zes schellingen, 1 grote) voor leverijnghe ende aerbeyt van smeden aen het cruyce van den thore, mitsgaeders over ’t maecken van eenen nieuwen haene op het selve cruyce". Dit is nog de tegenwoordige haan. In 1952 en nadien ook nog eens in 1992-na een zware storm en in het kader van de algemene restauratie-werd hij beneden gehaald en opnieuw verguld. Men vond er het opschrift: "Gemaekt door Carolus Dieryckx in het jaer 1771"- Indien dit niet dezelfde Carel of Carolus betreft, zal deze smid-koperslager zeker uit hetzelfde nest zijn gekomen. Ik vraag me wellicht niet onterecht af, of de smedenfamilies Dierickx die een paar decennia geleden nog in Aalter werkten niet van deze Dierickxen afstammen.
AALTER EN DE SINT-CORNELIUSDEVOTIE (1)
Dat de Heilige Cornelius onze parochiepatroon is, zal wel geen Aalterse parochiaan onbekend zijn, maar wellicht zullen de meeste van onze lezers wel interesse hebben voor de geschiedenis van zijn verering hier bij ons: hoe het begon, hoe het bloeide, maar ook al hoe het de jongste tijd verwelkte.
Al een paar maal al is de patroon Heilige in onze bijdragen ter sprake gekomen, zo bij de korte historiek en toen we het hadden over de gildebank, over de brandglasramen, de klokken (de zwaarste heet immers Cornelius) en over de drie altaren. Maar nu we in de kermistijd zijn, tijd die zijn oorsprong vindt in het vieren van de patroonheilige op 16 september, nemen we ons voor u in een aantal afleveringen mee te nemen naar de wortels van de devotie tot de Heilige Cornelius.
Daar het een boeiend, maar lang verhaal wordt, zullen er na deze inleiding en de eerste aflevering nog meerdere moeten volgen. We nemen ons voor het verhaal in te delen in de volgende hoofdstukken :
- Wie was de Heilige Cornelius ? Historie en legende ? Hagiografie en Iconografie.
- Hoe werd hij de patroon van onze kerk ? De eerste relikwie.
- Hoe werd hij tijdens de late middeleeuwen vereerd ? De nieuwe relikwie.
- Hoe vereerden onze overgrootouders en grootouders hun patroon ?
- Twee heerlijke feesten uit de 20e eeuw: 1955: 700 jaar verering en 300 jaar relikwie.–1974: 1000 jaar Aalter.
- Hoe ging de verering geleidelijk teloor. Wat doen wij huidige parochianen ?
Wij zullen ons echter moeten beperken, want onze bronnen zijn ruim en rijk : de "Geschiedenis van Aalter" door wijlen Luc Stockman, de lijvige brochure "De Sint-Corneliusdevotie in Vlaanderen, Tentoonstelling 20–29 september 1974" met verschillende medewerkers in een prachtige lay-out van Cyr Frimout, de gestencilde notities van Arthur Verhoustraete en zijn brochuurtje "Jubileum van Z.E.H. Pastoor Neyt" en "Ken uw parochie" en ook onze eigen documenten en herinneringen.
Maar laten we beginnen met het eerste hoofdstuk :
- Wie was de Heilige Cornelius ? Historie en Legende ? Hagiografie en Iconografie.
Zoals bij vele heiligenlevens, vooral uit de vroegste tijden van de Kerk zijn de bronnen heel schaars en lopen realiteit en fictie wel eens door elkaar.
Hoe hoger geplaatst de hagiograaf (beschrijver van heiligenlevens) hoe terughoudender de versie van de feiten. Zeker is, dat Cornelius een van de eerste pausen was–de 21e–gedurende de 3e eeuw.
Na de marteldood van zijn voorganger, paus Fabianus, op 20 januari 250 bleef de stoel van Petrus zo’n 14 maanden onbezet. De oorzaak was een heftige kerkvervolging door keizer Decius, die regeerde van 249 tot 251. Niemand durfde het aan om Fabianus op te volgen, tot Cornelius in maart 251 de taak aanvaardde.
Cornelius was de zoon van Catinus, stamde uit een adellijk geslacht en was als priester op de taak voorbereid. Maar dadelijk al had hij, zelfs in eigen rangen, te kampen met Novatianus, een tegenstander die van principe was, dat zij die tijdens de vervolging afvalligen (zg. lapsis) waren geworden-zij het ook uit schrik van de vervolgingen en marteldood-niet meer mochten opgenomen worden in de kerk. Sommigen hadden onder druk zelfs geofferd aan de Romeinse (af)goden.
Cornelius was milder en liet hen, mits boete en handoplegging, weer tot de kerkgemeenschap toe. Voor zijn begrijpende houding kreeg Cornelius de steun vooral van zijn vriend Cyprianus, de bisschop van Carthago, een belangrijk Romeins gewest over de Middellandse Zee in het noorden van Afrika. De vervolging werd in 252 minder heftig en velen keerden naar de schaapstal terug.
Maar de opvolgers van keizer Decius, nl. Gallus en vooral diens zoon Volutianus, ontketenden nieuwe vervolgingen. Ook Cornelius werd gevangen genomen en verbannen naar Centum-Cellae een stadje aan de zee, nu Civitavecchia. Daar stierf hij in 253 in ballingschap en werd daarom door zijn volgelingen als martelaar vereerd.
En nu beginnen de onzekerheden over realiteit en fictie. Sommige bronnen, graag aangenomen, geven aan dat hij daar werd onthoofd op 16 september. Een ander verhaal is nog, dat hij de zieke vrouw van Cerealis, de hoofdman van de soldaten die hem bewaakten, genas, met het gevolg dat die, samen met zijn soldaten tot het christendom toetrad. We laten dit in het midden. Zeker is, dat zijn lichaam later naar Rome werd overgebracht en begraven in de catacomben van Callixtus in de krypte van Lucina. Op zijn graf liet men dan ook de tekst aanbrengen : "Cornelius Ep…..
Martyr " (Cornelius Bisschop, martelaar).
Volledigheidshalve moeten wij nog vertellen, dat ook zijn vriend Cyprianus op 14 september 258 in Carthago werd onthoofd. Beide heiligen hebben daarom hun gezamenlijk feest gekregen op 16 september.
In de 5e eeuw liet paus Leo I het gebeente van Cornelius overbrengen naar een daarvoor speciaal gebouwde kerk langs de Via Appia. De relieken bleven er drie eeuwen, tot ze opnieuw werden verhuisd naar de Romeinse kerk van Onze-Lieve-Vrouw in Trasteven, waar ze nu nog gedeeltelijk berusten.
Het andere deel van zijn relieken werd door paus Johannes VII in 875 aan de Frankische keizer Karel de Kale geschonken, die ze naar Compiëgne (Fr) liet overbrengen, dat zo het vroegste centrum van de Corneliusverering in Westeuropa werd. Vandaar werd weer een gedeelte van de relieken, nl. het hoofd, door de broeders van de abdij naar Kornelimünster overgebracht. Kornelimünster is een voorstad van Aken, gesticht door Lodewijk de Vrome, die eerst Indo heette, maar toen de naam Kornelimünster kreeg.
Vanuit deze abdij verspreidde de devotie tot de Heilige Cornelius zich over onze gewesten. De abt van Kornelimünster was immers ook wereldlijk heer van de stad Ronse. Vanuit zijn abdij bracht men in 1138 relikwieën over naar Ronse, Ninove en later–omstreeks 1255-ook in het Land van de Woestijne (het toenmalige Aalter).
Maar nu zijn we al aanbeland in onze tweede bijdrage, waarin we laten zien hoe de relikwie hier verdween en hoe de huidige relikwie via een andere weg naar Aalter kwam.
AALTER EN DE SINT-CORNELIUSDEVOTIE (2)
Iconografie (wetenschap van beschrijving van de voorwerpen uit de beeldende kunst)
Over de iconografie van de Heilige Cornelius is al veel geschreven, soms ook met wat fictieve inslag, zelfs met echte legenden.
Toen de devotie tot de heilige zich over de Vlaamse contreien verspreidde, is in elk van de vele bedevaartplaatsen geschreven over de feiten uit zijn leven, maar ook over de betekenis van zijn naam en zijn attributen (voorwerpen). En de bedevaartplaatsen zijn niet gering in aantal. Op gevaar af er misschien een paar te vergeten, sommen we in alfabetische volgorde die bij ons in België op: Aalbeke, Aalter, Beersel, Brielen, Denderbelle, Diegem, Erps-Kwerps, Heldergem, Hofstade, Lapscheure, Lier, Ninove, Machelen, Mariakerke, Moerbeke-Geraardsbergen, Passendale, Schellebelle, Serskamp, Sint-Cornelius-Horebeke, Smeerebbe, Snaaskerke, Zandvoorde, Zuienkerke…- Maar ook in Nederlands-Limburg – onder de invloed van het nabije Kornelimünster (Aken) : Schin op Geul, Borgharen, Itteren, en verder Geleen, Heerlenheide, Overhoven, Swartbroeck… En onze persoonlijke reiservaring onderweg leverde ons in Frankrijjk Haezebroeck en zelfs Carnac in Bretagne op.
In de al vermelde lijvige brochure van 1974 schrijft heemkundige Renaat Van der Linden meer dan 60 bladzijden over de attributen (hoorn, tiaar, staf, boek, dieren, gebruiken enz.), zodat wij het eerder beknopt zullen doen.
De hoorn :
Pas in de 15e eeuw komen de eerste afbeeldingen van de Heilige Cornelius met de hoorn. De ingewijden zijn het erover eens, dat de hoorn er is gekomen door de naam van de heilige : latijn cornus; Fr. corne (hoorn). Er bestaan echter legenden die er andere verklaringen voor geven. Zo is er sprake van een drinkhoorn die hij zelf zou hebben gebruikt en die in Kornelimünster zou zijn terechtgekomen en waaruit de bedevaarders gewijd water konden drinken. Een andere legende wordt vooral in Snaaskerke verteld en luidt, dat Cornelius in Centum-Cellae aan de zee een griffioen (een fabeldier) zou hebben genezen. Dat dier zou hem als dank een van zijn hoorns hebben geschonken.
Feit is, dat de hoorn - ook in Aalter is er een echte met een relikwiehoudertje - ervoor zorgde, dat de heilige patroon van het hoornvee werd en niet omgekeerd.
De tiaar : (tiara, driekroon)
Dat Cornelius paus was, wilden de iconografen benadrukken door hem te voorzien van een tiaar, een drievoudige kroon, die de drievoudige pauselijke waardigheid symbolyseert van : priester, koning en leraar. Ook hier wordt de waarheid enigszins geweld aangedaan; het is een anachronisme, want pas in het begin van de 14de eeuw zijn de pausen een dergelijke driekroon gaan dragen. Tussen haakjes : de opvolgers van de recente paus Paulus VI hebben de tiaar niet meer gedragen.
De kruisstaf :
Ook de driedubbele kruisstaf bestond zeker niet in Cornelius’ tijd en daarenboven hebben de pausen nooit deze soort staf gebruikt. Weer een ontsporingetje van de vlijtige iconografen.
De dieren :
Bij de afbeeldingen van de Heilige Cornelius, zowel de beelden als de grafische voorstellingen komen natuurlijk geregeld dieren te pas. Soms is er een hele gamma van klein- en grootvee, maar vooral hoornvee. Zo zag ik in de kerk van Carnac (Fr.) een voorstelling van "Saint Cornely accosé de deux vaches " (eigenlijk zijn het ossen). Dit slaat op een legende waarbij de heilige, met een ossenwagen naar Frankrijk gevlucht voor de Romeinse soldaten, zijn achtervolgers zou hebben veranderd in de befaamde menhirs: de zg. "alignements" van Carnac.
De kinderen :
Als Cornelius zo goed is voor de dieren, dan zal hij het ook zijn voor de mensen en vooral voor de kinderen. De abnormale kindersterfte in de voorgaande eeuwen noopte de mensen ook tot Cornelius te bidden voor hun kinderen. Vooral voor de zg. "seskens", vallende ziekte, kinkhoest enz. werd gebeden en geofferd. Dus mochten ook de kinderen bij de heilige staan? (zie ons glasraam in de Corneliusbeuk)
Andere attributen :
Soms zie je ook een zwaard of palmtak (martelaarschap) of een kruisbeeld (lijden), maar dit is eerder zeldzaam.
Over de gebruiken zullen wij het hebben in de volgende hoofdstukken.
DE NIEUWE RELIKWIE
B. Hoe werd de Heilige Cornelius patroon van onze kerk ? De eerste relikwie.
Voor de Heilige Cornelius was omstreeks de 14e en 15e eeuw Sint-Dionysius (Denijs) de patroon van onze kerk. Zijn beeld prijkte op het hoofdaltaar, terwijl de Heilige Landrada en Cornelius in de zijbeuken dienden vereerd te worden. Cornelius moest het altaar zelfs delen met de Heilige Ghislenus (zie onze bijdrage over de altaren). Landrada had vroeger zelfs een kapel gehad op het toenmalige Vrijhof (Bellemstraat).
Maar, hoe vreemd ook, het was toen al Sint-Cornelius die de meeste aandacht van de gelovigen trok. We bezaten van hem al een relikwie en op zijn feest op 16 september werden vlaggen op de toren uitgestoken, werd gevierd met trompetgeschal en met een plechtige dienst. Men bracht toen al offergaven aan in natura, als "kiekens", maar ook brood, boter, eieren, vlees, lammeren, vlas enz. Dat gebeurde zelfs al onder het jaar. Er bestond ook al een gilde ter zijner ere.
Die devotie was, zoals in voorgaand hoofdstuk beschreven, wellicht ingevoerd door bemiddeling van de kanunniken van Ronse, die in goede relatie stonden met de heer van de Woestijne. De proost van het kapittel van Ronse was zelfs kapelaan van de heer van de Woestijne.
Geleidelijk kreeg Cornelius dan ook de bovenhand. We zouden voorbeelden kunnen aanhalen van kerkrekeningen, opbrengsten van offergaven-die verkocht werden-plechtigheden op zijn feest enz. Er bestond zelfs een eigenaardig gebruik, dat ik in mijn boekje "Beroerten om het Fruithof" aanhaal, nl. dat kinderen werden opgewogen tegen vlas en tarwe: hoe zwaarder het kind, hoe meer vlas of tarwe werd geofferd.
Toen de reformatie er kwam, staken de protestanten-wellicht terecht-de draak met dit bijgelovige gebruik en maakten er een spotlied over :
THalter was oock eenen ommeganck
Daer quam het volck kreupel en manck
Besoeken Sente Cornelis
Papenboeverij nog veel is
Men wogh daer kinderen ras
Tegen tarw en vlas
Dan kustense elc een horn
Daer tvolck mede gesegend was
DE NIEUWE RELIKWIE (2)
Hoe werd de Heilige Cornelius tijdens de late middeleeuwen vereerd ?
Toen kwamen de godsdiensttroebelen (1577-1600), de verwoesting van de kerk en het langzame herstel. Maar algauw bloeide de Sint-Corneliusdevotie herop. De eerste zorg van de toenmalige kerkmeesters, na de terugkeer van de gevluchte Aalternaren, was de reparatie van het Sint-Corneliuskoor en het altaar. Reeds op Sint-Corneliusdag van 1599 draagt pastoor Joos de Schryver een plechtige mis op, zo goed en zo kwaad als het kan.
In 1603 koopt men al een beeld voor op het altaar. Het is het huidige bestaande houten beeld, waarover we nog verder zullen handelen. In 1608 koopt men te Gent "eenen Sente Corneliushoorne" en gaan de herstellingswerken verder. De hoorn (die nog steeds bestaat) moest de verloren gegane relikwie vervangen. De toenmalige bisschop waarschuwde echter voor een vereren van enkel een hoorn.
In 1606 had al een plechtige ommegang plaats, waarbij de kosters uit de omtrek en ook andere "speellieden" kwamen zingen. In 1611 duurde de kermis, binnen de novene (9 dagen), al drie dagen. Er was toen al sprake van een "rijve" die was aangekocht en werd rondgedragen. Maar dit zal wel het beeld zijn geweest, want er was nog geen relikwie, zelfs nog niet in 1623, om in een dergelijke "rijve" te plaatsen.
Daarvoor zou men nog moeten wachten tot pastoor Jeremias Baes (1653-1662) in 1656 een stukje van het hoofd van de Heilige Cornelius uit Rome bekwam. Pastoor Baes had het geluk, dat zijn oom, pater Carolus à Sancte Joseph, provinciaal was van de Ongeschoeide Karmelieten. Die pater had de relikwie via een paar collega’s paters kunnen bekomen van Cornelius Franciscatus, pastoor van de basiliek van de Prins van de Apostelen te Rome. Bisschop Triest van Gent keurde de relikwie goed en gaf aan de vereerders ervan 40 dagen aflaat.
Maar ondertussen was in 1655 de kerk helemaal hersteld, zelfs de Onze-Lieve-Vrouwbeuk. Dit moedigde de devotie nog aan en de Broederschap (de huidige gilde) in 1620 gesticht, bloeide op, samen met de devotie.
Een paar voorbeelden :
- Cornelius Beckers, pastoor van 1662 tot 1668, had een grote voorliefde voor zijn patroon. In 1666 doopte hij 12 van de 45 mannelijke baby’s onder de naam Cornelius.
- In 1635 kreeg de devotie een sterke impuls, toen een vrouw beweerde, dat ze, op voorspraak van de Heilige Cornelius genezen was van de vallende ziekte.
- In 1765 moet men nieuwe kuipen (voor vlees) kopen en het jaar daarna wordt 1 p. 15 sch. uitgegeven "over het maeken van eene kiekenrenne ten gebruyke van Sente Cornelis".
- In 1775 werd hier, door de plaatselijke rederijkerskamer, een Corneluisspel opgevoerd. Men won ermee het Landjuweel. De tekst was van koster-onderwijzer Johannes, Cornelius Versele. Volgens de historici De Potter en Broeckaert bestaat deze tekst nog steeds.
Een passage ter illustratie :
Dien grooten ieveraer heeft Christus naer syn doodt
Aen ons gesteld tot troost en toevlucht in den noodt.
Comt tot Cornelius al met een vast betrouwen
Hier is medecyn voor kinders, mans en vrouwen.
Ook alle soort van vee dat ergens is besmet
Wordt door Cornelius, door kracht van syn gebed
Door d’Hoogste Majestyt bevrijd ofte genesen.
Gaet naer geen vreemd gewest, comt al die leeft in pyn
Tot Aeltre sult gy in noodt geholpen syn.
Hoe vereerden onze grootouders en ouders Sint-Cornelius ? (1)
Zoals in alle andere bedevaartplaatsen spreekt men van Sint-"Cornelius dienen". – Ook na de Franse Revolutie leefde de devotie in de 19e eeuw verder. Dat was merkbaar aan de inkomsten van de offeranden en de "zegenpenning", ook al in 1814.
In 1818 wordt het corneliusbeeld gerepareerd en verguld en in 1842 wordt "eene reliqui van den Heilige Cornelius in eene zilveren kas gezet". Die bestaat nog steeds.
Tot bij de Eerste Wereldoorlog en zij het iets minder talrijk bijgewoond nog tot bij de Tweede Wereldoorlog bloeide hier wat men noemt "Aalternuchting". Op de zondag van de kermis, dus de zondag volgend op 16 september, stroomden de bedevaarders heel vroeg in de morgen toe om "Cornelius te dienen".
Een directe, betrokken getuige daarvan was mijn eigen grootvader, Louis De Doncker, toevallig ook confreriemeester van de Corneliusgilde, die toen huisschilder, maar ook herbergier en "hotelhouder" was in "De Valk" nu "Pluba-zaak’ op de hoek van de Lostraat en de Bellemstraat.
Die hield er een dagboek op na voor zijn rekeningen-uitgaven en inkomsten-maar ook voor allerlei andere evenementen, brieven enz. En zo noteerden hij in 1903, dat hij op Kermiszondag "ten 2 uren" opgestaan was om tijdig klaar te zijn om de bedevaarders van koffie te voorzien. Het volgende jaar maakten bedevaarders van Knesselare hem wakker en schrijft hij "de zondag ons vergeten slapen, opgeklopt 3,5 uur.-Uit zijn ontvangsten blijkt, dat de zondag natuurlijk de belangrijkste dag was. Hij ontving toen 120 fr., de maandag (van de dienst) 52 fr., de dinsdag 22 fr., de woensdag (jaarmarkt) 28 fr. en op nakermiszondag 18 fr.
De pelgrims gingen driemaal rond de kerk en driemaal rond het beeld dat onder een troonhemel in het midden van de kerk opgesteld stond. Bij de ommegang rond de kerk werd vier maal halt gehouden om te bidden. Daarna lieten de bedevaarders zich door een van de priesters zegenen met de relikwie bij de "armendis" achteraan in de kerk. Gaven in natura heb ik in mijn jeugd tussen de beide oorlogen niet meer weten offeren, maar nog ouderen onder ons zullen zich dat gebruik nog wel herinneren. Wel werden bij het beeld, dat toen-buiten de noveen-achteraan in de kerk stond, ex-voto’s opgehangen : wassen afbeeldingen van lichamen, lichaamsdelen, dieren enz.
Hoe vereerden onze grootouders en ouders Sint-Cornelius ? (2)
Om de bidpauzen rond de kerk zinvol te maken, liet pastoor Theofiel Neyt daar in 1942 vier gebeeldhouwde taferelen plaatsen met passages uit het leven van de heilige paus.
Sint-Cornelius geneest een zieke vrouw
Sint-Cornelius zegent de kinderen
Sint-Cornelius beschermt de dieren
Sint-Cornelius sterft de marteldood
Hoe groot het aantal bedevaarders jaarlijks was, is moeilijk te schatten. Soms zet men wel eens het cijfer van 25.000 pelgrims voorop. Het weekblad "’t Getrouwe Maldegem" van 12 september 1897 schreef dat er in 1896 wel 20.000 bedevaarders naar Aalter waren gekomen. Zonder twijfel betekende de bedevaart naar Sint-Cornelius een van de hoogtepunten uit het Aalterse volksleven omstreeks de eeuwwisseling 19e-20e eeuw.
Na de Eerste Wereldoorlog ging het wat in dalende lijn, maar toch bleef het aantal pelgrims duizenden bedragen. Ikzelf herinner me als kind, vooral de zondag, tussen massa’s bedevaarders te hebben gelopen, die niet eerder naar de vermakelijkheden op de markt gingen, dan na het eerst Cornelius te hebben gediend. Voor de plaatselijke bevolking, was de parochiale ommegang van kermiszondag met beeld en flambeeuwen een niet te missen hoogtepunt.-In 1925 moet er een belangrijke viering zijn geweest, want er kwam toen een nieuwe veelkleurige affiche en een gelijkaardig devotieprentje met een litanie.
Naast de eigenlijke devotie van het volk, kreeg Sint-Cornelius ook nog de belangstelling van heemkundigen en volkskundigen. In 1945 organiseerde Arthur Verhoustraete in samenwerking met Karel Van Nyen een kleine tentoonstelling in het parochiaal centrum PAX, gewijd aan de verspreiding van de verering van Sint-Cornelius.
Twee heerlijke feesten uit de 20e eeuw (1)
1955 : 700 jaar verering en 300 jaar relikwie :
Op 25 september 1955 trok een grote historische stoet door de straten van Aalter met als thema : "De verering van Sint-Cornelius te Aalter door de eeuwen heen". Niet minder dan 21 groepen–muziekverenigingen inbegrepen–met praalwagens en ruiters beeldden het leven van en de devotie tot onze patroon uit.
In de namiddag was er een Pontificaal lof op de Markt, gevolgd door een muziekconcert, een apotheose-spel en vuurwerk. Ik had het voorrecht om, samen met collega Amedee Laroy de regie van te mogen doen. Ik bezit nog de tekst, geschreven door de bekende regisseur Frans Poos en het hele regieboek. Gelukkig bleef het avondspektakel gespaard van de regen die in de namiddag de optocht vertroebelde.
Ter gelegenheid van dit jubelfeest werd ons vanuit een andere bedevaartplaats–ik geloof Machelen–een Sint-Cornelius-huldelied bezorgd, dat jarenlang in onze kerk weerklonk. Omdat ik het me nog goed herinner, wil ik het jullie niet onthouden. Wees niet te kritisch op de wat archaïsche tekst.
Sinds eeuwen komen naar dit oord
De pelgrims die gij trouw aanhoort.
Voor alle kwalen vinden zij
Genezing troost ten allen tij.
Refrein :
Cornelius, ons schutspatroon,
Gij paus en martelaar die schoon
De noden kent van volk en land,
Bescherm ons, leid ons aan uw hand. (bis)
Bekom ons trouw aan God en Kerk,
Bekom ons vreugd in ’t daaglijks werk.
Wees ons een licht, dat ons steeds wenkt
Naar ’t Paradijs dat God ons schenkt.
Zo zal die aardse tranendal
Vol kwalen door de zondeval,
Door uwe schuts en martelaarsbloed
Eens ruilen om het hoogste goed.
1974:1000 jaar Aalter
Tijdens de viering van 1000-jaar greep van 21 tot 29 september in de O.L.-Vrouwbeuk van de Sint-Corneliuskerk een grote tentoonstelling plaats, onder het motto "De Sint-Corneliusdevotie in Vlaanderen"
Met deze tentoonstelling werd gepoogd een overzicht te geven van die volksdevotie, zoals die vroeger en nu nog in mindere mate bestaat, door het bijeenbrengen van enkele relikwieschrijnen, relikwiehouders, beelden, bedevaartvaantjes en devotieprentjes. Door middel van foto’s werd geprobeerd enkele iconografische bouwstenen aan te brengen .
Heel wat handboeken, statuten en vaandels van gilden herinnerden aan de bloeitijd
van de broederschappen. Ook de kerk zelf werd in die tentoonstelling
De groep "Aalternuchting"
betrokken, door een korte beschrijving van de belangrijkste kunstschatten.
De tentoonstelling kreeg het bezoek van ongeveer 4000 belangstellenden, terwijl er 300 geïllustreerde catalogussen werden verkocht. Tijdens deze tentoonstellingstijd, die samenviel met de noveen, hebben we kunnen vaststellen, dat er nog ruim 5000 bedevaarders naar de kerk zijn gekomen om Sint-Cornelius te vereren.
In de historische stoet, die in de namiddag uitging, werd "Aalternuchting" op treffende
wijze uitgebeeld door de wijken
De tentoonstelling in de Sint-Corneliuskerk
ten westen van het dorp, met een processie en met bedevaarders die allerlei giften en offers droegen.
Een paar mooie stukken uit de 19e en de 20e eeuw (1)
We hebben het over latere schenkingen en dan vooral over die zaken die in onze kerk opvallen. Er zijn natuurlijk ook de mooie kelken, cibories, monstransen, wierookvaten, offerschalen en dergelijke, die echter niet bestendig tentoon staan, maar veilig verborgen zijn in de nieuwe brandkast.
Sinds enkele tijd kunnen we, onder andere, weer de vier mooie processielantaarns bewonderen. Lange tijd bleven ze verborgen; daarna stonden ze vooraan in het hoogkoor en nu hangen ze tegen de stenen pijlers in de hoeken van de beide zijbeuken. – Het zijn zeshoekige lantaarns van verzilverd koper, met bovenaan engelenkopjes en versieringen met druiventrossen. Ze scharnieren bovenaan in een vork. De zes glazen ruitjes zijn voorzien van een kelk waarrond een stralenkrans prijkt. Ze waren dus wel duidelijk voor een sacramentsprocessie bestemd.
We zouden het verder uitvoerig kunnen hebben over de beelden die tegen de ronde pijlers staan en die er bijna alle kwamen op het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Pas toen er, na de Eerste Wereldoorlog een lambrisering kwam (zie het artikel over de kruisweg) kregen ze een plaatsje op een houten sokkel met offerblok tegen de pilaren. We bespreken ze echter beknopt, eventueel met vermelding van het jaar waarin ze er kwamen en de schenker.
Er zijn houten beelden, zoals St.-Franciscus Xaverius (1872, Xaverianen), St.-Franciscus van Assisië (1872, Maria Soudan), Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen (1872, verschillende schenkers), de H. Barbara (1895, Aloïs Alyn, oud schoolhoofd (later vervangen door een plaasteren beeld), Sint-Jozef, (1896, Maria Storme), Sint-Antonius van Padua (?)-Heilig Hart van Jezus (1872 , Bond van het Heilig Hart), Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hart (1872, Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw, Bond van het Heilig Hart en kerkfabriek).
Al deze beelden werden vervaardigd door de Gentse beeldhouwer Jules Van Biesbroeck Sr.. De prijzen laat ik afzonderlijk onvermeld, maar ze schommelden rondom de 500 fr.. Beide laatste beelden werden in 1950 door de-al vroeger vermelde-brand in de sacristie vernield en vervangen door identieke plaasteren beelden.
Een paar mooie stukken uit de 19e en de 20e eeuw (2)
Van de andere beelden, alle van plaaster, zoals de Heilige Rita van Cassia, de Heilige Godelieve van Gistel, de Heilige Theresia van Lisieux, De Heilige Johannes Berchmans, de Heilige Gerardus Majella (nu weggeborgen) kennen we noch het jaartal noch de schenkers. Bij de doopkapel staan ook nog de Heilige Philomena en Johannes de Doper.
Alle beelden waren tot in de zestiger jaren van de 20e eeuw veelkleurig gepolichromeerd, maar werden, jammer genoeg, als gevolggeving aan de richtlijnen van het Vaticaans Concilie, wit geschilderd. Ze mochten immers niet opvallen, omdat onze geloofsbroeders van de gereformeerde kerken, tot wie we toenadering zochten, geen heiligenverering kennen.
Volledigheidshalve zeggen we ook iets over een paar andere beelden van verschillende "leeftijd". De Piëta (Onze-Lieve-Vrouw van Smarten) links in de Onze-Lieve-Vrouw (een kopie van deze van Onze-Lieve-Vrouw van Schreiboom te Gent) is in palmhout en dateert van de 18e eeuw. De Heilige Familie, een tegenhanger, in de Sint-Corneliusbeuk, dateert van 1925 en is gebeeldhouwd door J. De Visscher van Gent, die ook een deel van de gildebank maakte. Spijtig genoeg zijn ook deze beeldengroepjes in het wit geverfd en bleek restauratie onmogelijk.
Het vergulde beeld van Sint-Cornelius met tiara, staf en hoorn, in de gelijknamige kruisbeuk, is een houten beeld uit de 17e eeuw (wellicht 1608). Op de borst is nog vrij duidelijk een cirkelvormig "litteken" zichtbaar van een opening, waarin eertijds een relikwie stak.
Vooraan in het hoogkoor hangt een koperen ronde kroonluchter, die bestaat uit drie kronen, waarvan de onderste 8 lampen telt en de middelste 4 lampen. De kronen zijn bezet met versierde schildjes. Er staat ook zes maal een inscriptie op: "Christus est Lux" (Christus is Licht). Binnenin kun je lezen, dat de luchter in 1907 aan de kerk werd geschonken door August Goeminne, schepen van Aalter en provincieraadslid. Hij deed die gift ter nagedachtenis aan zijn moeder, mevrouw Leonie Jullien, weduwe van Alfons Goeminne, oud-burgemeester van Aalter. De luchter werd vervaardigd door het Werkhuis Billaux-Grosse te Brussel.
De koperen godslamp, die in de kroonluchter hangt is eigenlijk ouder dan de luchter zelf. Ze dateert al van 1870 en werd geschonken door Desiderius en zijn zuster Melanie Herteleer en vervaardigd door de Familie Ballion-Versaevel te Gent. Ze kostte toen 50 fr. Ze heeft ook twee kronen en de vlam wordt omgeven door een rood glas in een koperen houder..
Omstreeks 1920 schonk Jozef Rysenaer, de bestuurder van de toenmalige weverij aan Aalter -Brug (nu Sturzo) aan de kerk een mooi zegekruis. Dit was voorgesteld door de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen. Het is een houten, gotisch kruisbeeld met een plaasteren, gepolichromeerde Christusfiguur. Het hangt in de kruisbeuk aan gesmede staafjes.
Daarboven waren in het begin ook weerzijden van de spitsboog twee zwevende engelen geschilderd. Zij droegen een banderol met de tekst "IN ’ T KRUIS ONS HEIL" Op sommige oude postkaarten uit die jaren zijn ze nog te zien, zoals bijv. in "Groot-Aalter in oude foto’s" van Filip Bastiaen, op pag. 143. Wellicht heeft ook het atelier van Frans Coppejans van Gent, waar toen Réné De Cramer werkte, voor deze kerkversiering gezorgd. Ze was immers helemaal in de stijl van de ook toen geleverde kruisweg.
EEN EEUW KERSTVIERING IN DE HUIDIGE SINT-CORNELIUSKERK
We zouden omstreeks deze tijd een eeuwfeest kunnen vieren, vermits het zo goed als zeker ongeveer 100 jaar geleden is, dat de vergroting van onze kerk, begonnen in 1906, zover was afgewerkt, dat een feestelijke viering van Christus’ geboorte mogelijk was. – In onze huiskring werd immers verteld, dat dit gebeurde toen vader Achiel 14 jaar was. – Misschien is het dan ook passend even te herinneren, hoe die vieringen in de loop van de voorbije eeuw verliepen.
Uit het "Liber Memorialis" van 1893, toen bijgehouden door pastoor Dalschaert diepten we op, dat de "plechtige Kerstmis zal gezongen worden ten 5 uren, waarna achtereenvolgens twee gelezen missen, ’t kwaart voor 7 uren eene gelezen mis, gevolgd van de gezongen Herdersmis en nog eene gelezen mis." De rest ging voor mij verloren. De koster-organist was toen Remi Grijspeirt.
Wellicht rijzen er bij sommige lezers nu vragen. Jawel, op Kerstmis, zowel als op Allerzielen mocht iedere priester drie missen celebreren. Die gewoonte was ontstaan omstreeks het jaar 500, en leefde verder, zelfs nog tot vandaag.
In de Nachtmis (toen bij ons om vijf uur ’s morgens) werd de geboorte herdacht, in de Dageraadsmis (Herdersmis, toen om zeven uur), de openbaring door het bezoek van de herders en in de Dagmis (toen om halftien), de grootheid en het koningschap van Gods zoon. – Deze drie facetten kwamen al duidelijk in het "Introïtus" van deze drie misvieringen naar voor: "Dominis dixit ad me…", "Lux fulgebit…", en "Puer natus est…".
Na W.O. 1 werd de nachtmis verschoven naar zes uur, maar toch was het voor de priesters en de zangers van het mannenkoor (toen nog gewoon "de zangers van ’t oxaal" genoemd) wel heel vroeg. – Gelukkig kregen de laatsten, na die vroege prestatie een morgenmaal aangeboden bij een van de leden of sympathisanten. Zo vond ik in het rekeningenboek van mijn grootvader Louis De Doncker, waard van de herberg "De Valk" op de markt de volgende tekst.
De tekst luidt: "Dejeuner van de zangers van het Oxael op 23n debre 1909, tegenwoordig 22 man, gebezigd 25 pinten melk, 3 koekebrooden van 3 kilos ieder, geleverd door Leon Laroy, 1 5/10 k° boter, 4 pakken chocolade."
In de nachtmis waren toen ook al kinderstemmen te horen. Zo herinner ik me de trots van onze grootmoeder, dat vader Achiel, zoon van Louis, al voor de eerste keer, op twaalfjarige leeftijd, samen met andere knapen "het kerstliedje" mocht helpen voorzingen. Daarnaast was er altijd ook plaats voor een solist, een van de beste mannenstemmen uit het koor, die de strofen mocht voorzingen. Zo herinner ik me zelf nog de mooie stem van Alfons Alyn, schoolhoofd. De teksten waren allemaal in het Latijn: "Adeste fideles…, Flos de radice Jesse…, Puer natus est…". – In de dagmis waren de zangers er weer voor een gezongen meerstemmige Latijnse mis. Toen zat aan het orgel Eugène Grijspeirt, zoon van Remi – Vooraan stond dan ook al jaren een eenvoudige kerststal met plaasteren beelden.
Die gewoonten gingen jaren door. Zo zongen ook in het begin van de jaren dertig knapen (o.a. ik zelf) ’s morgens als sopraantjes mee. Alles veranderde echter, voor wat de zang en de viering betreft, toen in 1934 het knapenkoor werd opgericht, eerst onder de leiding van de gebroeders Goethals, eerst Cyriel (onlangs overleden), later Maurice, maar definitief met de komst van E.H. Leo Dejaegher, die er een echt knapenkoor van maakte, dat echter alleen op de hoogdagen en op de kermis het zg. "proprium" van de missen zong. Zo zongen ze ook in volle ornaat in de Middernachtmis en in de Dagmis, maar dan vooraan in het koor, staande rondom een lezenaar waarop de teksten en de muziek in grote letters prijkten.Tussen de missen door werden ze in het toenmalige "hospice" (nu Veilige Have) vergast op boterkoeken.
Het volk luisterde naar de gezangen, de gebeden, de preek van op de preekstoel, nam daarna of daarvoor ook een "gelezen miske" mee, maar werd verder niet betrokken bij de viering. De Kerstviering veranderde pas, toen de drie missen voor elke priester na elkaar werden weggelaten door het Vaticaans Concilie.
Het mannenkoor, toen al Sint-Cecilia genoemd, verzorgde ’s morgens de zg. Nachtmis en de Dagmis en het knapenkoor nam de Dageraadsmis en de avondmis voor zijn rekening. Er waren ondertussen teksten in de moedertaal toegelaten, wat zich ook manifesteerde in de aard van de kerstliederen.
Het knapenkoor werd na E.H. Dejaegher achtereenvolgens geleid doot E.H. C. Dhondt (1944 -1948), E.H. Boterdaele (1948 – 1959) en meester Maurice Mestdagh tot het teloorging en in 1959 op Kerstmis weer herrees onder impuls van de pas gearriveerde E.H. De Meulemeester. Het was toen samengesteld uit enkele vroegere zangertjes samen met de leerlingen van een goed-zingend 5e leerjaar van Jos De Doncker. Nog in der haast opgetrommeld op kerstavond, zong toen voor de eerste keer een pseudo-schoolkoor de nachtmis. Koster –organist Emiel De Wulf zat toen aan het orgel.
Het bleef dan ook een schoolkoor "het Sint-Gerolfkoor". Br. Hilarinus Peeters nam in 1960 tijdelijk de fakkel over tot bij zijn overplaatsing naar Hasselt. Vanaf 1967 zongen zij alleen nog de Herdersmis en de Avondmis. Het Sint-Ceciliakoor luisterde de Nachtmis en de Dagmis op. Na de Herdersmis werden de knapen door Br. Directeur Cremers en de vrouw van meester Jos getrakteerd op boterkoeken met chocolademelk. Maar nog altijd zong er op Kerstmis geen meisjeskoor, hoewel Directrice Zr Beirnaert haar beste krachten wijdde aan het Sint-Agneskoor.
Onder impuls van onderpastoor Eric Dhont, hier in 1977 aangekomen, werd vanaf Kerstmis 1978 een Internationale Nachtmis georganiseerd. Gastpriesters uit alle werelddelen werden uitgenodigd om in de Nachtmis te komen celebreren met de Aalterse parochiepriesters. De vreemde priesters werden tijdens de kerstdagen opgenomen in gastgezinnen. Op een parochiaal kerstfeest kwamen zij dan over hun apostolaat in eigen land vertellen.
Tezelfdertijd ontstond ook het gebruik van de "levende kerststal", dat dus al bijna 30 jaar ononderbroken wordt herhaald. Heel wat Jozefs en Maria’s, kindjes Jezus, engeltjes, herders en ook andere medewerkers zijn dus al de revue gepasseerd. Zo kennen we een kindje Jezus, dat later als engeltje fungeerde. Misschien wordt het nog ooit Maria. De eerste en ook de volgende stallen voor levende personen waren het werk van enkele leden van de boerengilde. Elk jaar was er ook een misboekje waarvoor ondergetekende een kaftje tekende en dat door Zr. Dominique netjes wordt afgedrukt.
Eerwaarde Heer Dhont en Monseigneur De Kesel bij de tentoonstelling.van de kerststallen in het jaar.
In 1978 was er zelfs een tentoonstelling van kerststallen uit alle landen aan verbonden en in 1979 een postzegeltentoonstelling onder het motto "Het land waar Jezus woonde" en"Het kerstthema op de postzegel" met een speciale afstempeling. Die hadden telkens plaats in het magazijn Snoeck, nu "Kadans".–Voor deze gelegenheid werden ook voor de eerste keer verlichte Davidssterren op de kerktoren aangebracht.
De misgezangen werden toen in de Nachtmis verzorgd door het Sint-Ceciliakoor samen met het Sint-Gerolfkoor plus enkele dames van het Gepensioneerdenkoor van Juffrouw Leona Vermeersch en dat alles onder de leiding van Jos De Doncker. In 1978 zong zelfs Willy Pulinckx een paar solo’s en voerde met de knapen het "Adeste fideles…" uit. Maar verder een meerstemmig koor leiden zag Jos niet zitten. Het was dan ook een gelukkige dag toen Mevr. Nelly Geirnaert, die als koordirigente al haar sporen had verdiend, de taak van hem overnam.
In 1983 kwam ook aan de Internationale Nachtmis een einde bij gebrek aan buitenlandse priesters en werd er ook weer overgeschakeld naar de avondmis op de vooravond van Kerstmis. De levende kerststal bleef echter verder bestaan. De dagmis werd toen al enkele jaren verzorgd door de meisjes van het Sint-Agneskoor.
Door het wegvallen in 1993 van de laatste onderpastoor, Daniël Mollet, moest ook op Kerstmis het aantal missen drastisch worden beperkt en kon de nieuwe pastoor, E.H De Paepe alleen nog instaan voor een avondmis op Kerstavond en een Hoogmis op Kerstmis zelf. En toen dan in 1994 pastoor Van den Broecke in Sint-Maria-Aalter en E. Pater Ingels in Aalter-Brug op rust gingen en de drie parochies op dezelfde schouders kwamen te rusten, werden de kerstvieringen tot het minimum per parochie gereduceerd. Jammer genoeg ging toen ook het bloeiende Sint-Ceciliakoor ter ziele. Maar bij ons bleef de traditie van de levende kerststal verder leven.
De fusie van de parochiale vrije scholen Sint-Agnes en Sint-Gerolf in 1996 zorgde ook voor de samensmelting van de beide schoolkoren en dit onder de bevoegde leiding van Ann Cools. Onder de nieuwe naam "De Corneeltjes" verzorgen zij sindsdien de avondmis op Kerstavond waarin ook bij de levende kerststal steeds meer personen een rol krijgen. – Een belangrijk jaar voor de kinderkoren was, toen zij rond Kerstmis 1991 mochten meezingen in "Da Capo 2000"
Het optreden van de kinderkoren in Berlijn in het jaar 1991
Het Sint-Corneliuskoor voor volwassenen, gegroeid uit de getrouwen van het Sint-Ceciliakoor,gestimuleerd door Paul De Meyer, neemt dan, steeds aangroeiend, de Dagmis voor zijn rekening .
Maar dan staan weer de stenen beelden op de plaats van de personen uit de levende kerststal. Daarvoor zorgt al sinds jaren Laurent De Doncker.
DE LAMBRISERINGEN IN DE KOREN
Mocht je eens de kans krijgen om wat dichterbij de altaren te komen, dan zou je merken dat onze drie koren fraai betimmerde wanden hebben, de zg. lambriseringen. Die geven warmte en sfeer aan het interieur van de kerk.
Het zijn niet de eerste, maar wel de mooiste die in de historiek van onze Sint-Corneliuskerk onze koren hebben opgesmukt. Al in het begin van de 18e eeuw, toen geleidelijk onze kerk er beter en beter begon uit te zien, liet pastoor Petrus De Roo (1702 –1751) (zie ons vorig artikel over zijn grafsteen) in de jaren 1732-1734 al een lambrisering aanbrengen; In de rekeningen daarover kun je lezen : "van leverijnghe van nagels tot het lamberceren van de kercke" en "temmeren tot het lambreceren van de kercke".
Gezien pastoor De Roo zelf flink bemiddeld was, kon dit wellicht makkelijker worden gedaan. Daarenboven beschikte hij ook nog over de tienden van de Kapelanij van de Pietendries. De kapel "Ter Pieten" lag op het driegemeentenpunt van Aalter; Knesselare en Ursel en verschafte zijn tiendeheffers belangrijke inkomsten. Zo werd er bijvoorbeeld betaald voor drie missen per week. Tussen haakjes :deze kapel was al tijdens de godsdiensttroebelen op het einde van de 16e eeuw volledig verwoest en werd naderhand niet meer heropgebouwd.
Ook de opvolger van pastoor De Roo, Martinus Van Lemberghen, die hier fungeerde van 1751 tot 1785 – dus niet minder dan 34 jaar - kon nog op deze tienden rekenen. Over deze pastoor hebben we verder weinig informatie kunnen vinden, maar toch is van hem ook een herinnering in onze kerk te vinden, namelijk een kleine, vierkante witte tegel vooraan in het Onze-Lieve-Vrouwekoor.
In het kader van een totale heropsmuk van de Sint-Corneliuskerk liet men in 1761 de nog bestaande prachtige lambriseringen in rococostijl aanbrengen. Twee Gentse kunstenaars stonden hiervoor in : Ludovicus, Jacobus Drayers leverde voor 900 gulden het zogenaamde "grote" werk en beeldhouwer Jacobus Martens stond in voor het fijnere kunstige beeldhouwwerk. Samen met deze lambriseringen waren toen ook twee van de drie rococo-biechtstoelen van hun hand. (zie voorgaande bijdrage)
Het geheel van hun werk bestond niet alleen uit de eiken beschotten, maar ook uit de deuren en de z.g. koorstallen of – gestoelten. Het geheel is daarenboven versierd met een aantal fraaie medaillons waarin we de borstbeelden van de apostelen Petrus en Paulus herkennen. De overige figuren zijn wellicht fantasiefiguren; misschien schenkers of vooraanstaanden uit die periode.
Waar onze glasramen bij het springen van de toren in 1918 nog op een bijna wondere wijze aan de dans ontsprongen, werden onze lambriseringen, gestoelten en biechtstoelen echter fel gehavend. Dat kun je merken aan bijgaande tot nu toe onbekende foto. Andere kunstenaars zorgden er evenwel voor, dat ze nu weer in hun volle pracht onze kerk versieren.
GRAAFWERKEN IN ONZE SINT-CORNELIUSKERK
In de eerst bijdrage van onze reeks "Uw parochiekerk leren kennen" gaven wij een korte historiek van de verschillende bouwfasen van onze duizendjarige kerk. We vermeldden daar, dat van het oudste kerkje, het Sint-Denijskerkje, geen echte sporen te vinden zijn, maar, dat bij graafwerken, menselijke resten van die tijd werden gevonden.
Geïnteresseerde lezers wensten wel iets meer te vernemen over die zg. beperkte archeologische ontdekkingen. Lezers van het heemkundig tijdschrift "Land van de Woestijne" vernamen daar, van de hand van deskundige Aalternaar Jean Van Cleven, alles over in nr. 1 van de 4e jaargang en ook Luc Stockman beschreef in een brochure hoe alles verliep en welk licht die opgravingen werpen op de wordingsgeschiedenis van onze kerk.
We menen dat wij deze twee bronnen voor onze lezers van "Kerk en Leven" mochten “blootleggen” en nemen dan ook wat Luc destijds schreef over de opzoekingen van Jean Van Cleven bijna letterlijk over, samen met een paar verhelderende illustraties.
Wanneer precies in Aalter het eerste kerkje werd gebouwd voor de bewoners van Villa Haleftra, is niet meer te achterhalen. In onze streken zijn de plattelandskerken hoofdzakelijk domaniale kerken, die op initiatief van de heer van het domein werden gebouwd.
De heer van het domein Aalter was wellicht wel de Karolingische vorst, want, volgens de historicus Meyerus, schonk Lodewijk de Vrome de kerken van Deinze, Aalter, Nevele, Maldegem en nog andere aan de bisschop van Doornik. Het feit dat de oudste patroon van de parochiekerk van Aalter Sint-Denijs was, wijst ook op de Karolingische oorsprong van het eerste kerkje, want bij hen was Sint-Denijs een zeer geliefde heilige. Het is dus goed mogelijk, dat de Karolingische vorsten op hun domein Haleftra een kerk ter ere van Sint-Denijs hebben gesticht, ten behoeve van de vrijen en de laten van het uitbatingscentrum en ook van de bewoners van de wijken Biesem, Houtem, Oostergem en Stratem. (Let op de uitgangen (h)em = heim)
De villa-kerken werden gewoonlijk vlakbij de centrale hoeve gebouwd. De ligging van de centrale hoeve is niet met zekerheid te bepalen, maar we mogen aannemen, dat ze niet ver van de "kouters", de oudste cultuurgronden, was gestitueerd. De kerk van Aalter is gebouwd op een hoogterug van meer dan 20 meter, vlakbij de Hoge Kouter en de Meulekouter. Ook de vroegere driehoekige vorm van de markt wijst op het drieslagstelsel van een Frankisch domein.
Dit eerste kerkje is natuurlijk sedert lange tijd verdwenen en bij gebrek aan een ernstig archeologisch onderzoek, hebben we geen idee over het uitzicht van dit Sint-Denijs-kerkje. Het oudste gedeelte van de kerk is ongetwijfeld de zuidelijke zijgevel van het transept (dwarsbeuk), die nog volledig in veldsteen is opgetrokken. Alhoewel ook die gevel heel wat verbouwingen onderging, door het wegbreken van het traptorentje in de 18e eeuw, het plaatsen van een ander venster in de 16e eeuw en het restaureren van de gevel, zitten er toch nog veel originele veldstenen in de muren (en zoals je verder zult zien ook in de grond). Die zijgevel is het enige uitwendige overblijfsel van het veldstenen kerkje (in kruisvorm ?) uit de 13e eeuw.
In de eerste koude maanden van 1979 werden in de kerk werken uitgevoerd, om een nieuwe centrale verwarmingsinstallatie te plaatsen. Daarvoor werden drie sleuven gegraven: in het Sint-Corneliuskoor, het transept en in het hoogkoor. Jean Van Cleven onderzocht, jammer genoeg iets te laat verwittigd, die drie putten met het volgende resultaat.
De eerste put strekte zich volledig uit langsheen de zuidmuur van het Sint-Corneliuskoor, vanaf de scheidingsmuur van de sacristie tot aan het transept waar het gestoelte van de familie De Grünne staat. De doorboorde grondvesten van de oostmuur bleken gemetseld met veldsteen en hadden een dikte van 1,20 m. De fundering van de zuidmuur was eveneens van veldsteen waarop later een laag bakstenen metselwerk van 35 à 40 cm was aangebracht. Veel werd er daar niet gevonden, omdat de uitgegraven plaats vroeger een deel van het kerkhof was. Talrijke menselijke beenderen werden wel bovengehaald. Pas in de 15e eeuw werd dit deel, dat nu het Sint-Corneliuskoor is, in het kerkgebouw opgenomen.
De tweede put, in de zuidelijke transeptarm, in een hoek gevormd door de communiebank en de bank van de De Grünne’s was ongeveer 1,30 m diep. Daar vond hij een fragment van de middeleeuwse vloer op een diepte van 54 à 56 cm onder het huidige vloerpeil. De tegels waren in een laag mortel gelegd. Een tiental centimeters onder deze vloer, dus tussen de 65 à 78 cm onder het huidige vloerpeil, bevond zich een laag schuin opgesteld tegels, overgoten met mortelspecie. Dit is waarschijnlijk een stuk van de Romaanse bevloering.
Tegel met afbeelding van een radmotief
De derde put was 1,75 m diep in het hoogkoor uitgegraven, maar bevatte weinig interessante gegevens. Daar werden ook resten aangetroffen van twee veldstenen muren, funderingen en/of gestorte steen.
Van de middeleeuwse tegeltjes, in hoofdzaak in de tweede put gevonden, zijn er slechts enkele versierd met motieven weergegeven in stempeltechniek. Er zijn geometrische motieven, zoals de voorstelling van een rad, plantkundige versieringen en motieven uit de dierenwereld. Deze tegels stammen vermoedelijk uit de 14e of de 15e eeuw. (zie de illustratie)
Met dank aan bovengenoemde Jean Van Cleven en wijlen Luc Stockman.
EEN PAAR MOOIE VAANDELS VAN VERENIGINGEN
Vooraan in onze kerk, in de hoeken van de gemetselde steunpilaren tussen het hoogkoor en de zijbeuken hangen twee mooie geborduurde vaandels. Eigenlijk kun je er ook standaarden tegen zeggen.
Links hangt dit met een voorstelling van Maria en rechts een met de afbeelding van onze patroonheilige Sint-Cornelius. Ze hangen dus wel op een passende plaats.
Bij de jongste kerkrestauratie kregen beide vaandels een grondige opknapbeurt, zodat ze er weer bijna als nieuw uitzien. Het architectenbureau Lievens en De Craemer had hierbij de deskundige hulp van Drs. Ingrid De Meüter ingeroepen, die bij het herstelprogramma advies gaf. De kunsthistorica oordeelde, dat deze paramenten nog in relatief goede toestand verkeerden en dat normaal onderhoud kon volstaan. Maar omdat hier en daar wat draadjes loszaten en over het borduurwerk was geverfd was restauratie noodzakelijk.
Het rode vaandel met de voorstelling van Sint-Cornelius is het oudste. Bij Arthur Verhoustraete lezen we het volgende : “Ten gebruike van de Sint-Corneliusgilde werd op 11 juli 1886 een nieuw vaandel (standaard) aangekocht bij Henri Horrie voor de prijs van 1.100 fr”
Het is vervaardigd van rood fluweel met neogotisch goudborduurwerk in laag reliëf en geborduurd applicatiewerk. Op het ovaal gepunte middenstuk staat Cornelius met zijn klassieke attributen: de tiaar, de hoorn en de staf met drie kruisen. Het vaandel zelf is opgehangen aan een houten, verguld steuntje met gebeeldhouwde lelievormige versieringen, en glazen siersteentjes.
Het blauwe vaandel dat links hangt, stelt Maria voor. Het werd in 1938 door de Mariacongregatie aangekocht bij de Firma Devuyst te Brugge; wellicht om als tegenhanger te fungeren van het Corneliusvaandel.
Het is vervaardigd van blauw fluweel met goudborduurwerk in hoog reliëf en in barokke stijl. De motieven zijn nog opgewaardeerd met glazen siersteentjes. Centraal staat er een geborduurd applicatiewerk met de voorstelling van de H.Maagd Maria. Maria prijkt er met een aureool met 12 sterren, zoals in de Apocalyps van Johannes en met de verslagen draak aan haar voeten. Uit de beide handen ontspringen stralen naar beneden gericht.
Hierbij heeft men bij de restauratie de goud- en zilververf niet kunnen wegnemen omdat anders het borduurwerk zelf zou beschadigd worden. Ook de vergulde ophangsteun is, in tegenstelling met deze van het Sint-Corneliusvaandel in barokke stijl, met bovenaan een mooi gebeitelde, bladvormige versiering.
Beide vaandels eindigen onderaan in drie, symmetrisch opgestelde, panden.
In een kast in de sacristie bevindt zich nog een derde verenigingsvaandel, nl; dat van de Genootschap van de Heilige Kindsheid. Het is van paars fluweel met goudborduurwerk in laag reliëf en als ajourwerk opgelegd en uitgewerkt in een stijl die naar de tweede helft van de 17e eeuw verwijst. Zo oud is het echter niet. Het dateert wel uit de 19e eeuw.
kleine Jezus voor met een kruisje in de hand en staande op de wereldbol. Onderaan zijn er drie tipvormige stroken versierd met franjes en trossen, waarvan er een paar ontbreken. Dit vaandel vertoont zeker het meeste ouderdomsverschijnselen. Zeker het geschilderde medaillon was in slechte staat.
Volledigheidshalve kunnen we nog melden, dat onze kerk ook nog beschikt over een vaandel van de Xaverianen, daterend van 1920 bij het feest van hun 50-jarig bestaan, maar dit is in dergelijke slechte staat, dat restauratie onmogelijk bleek.
EEN SCHAT AAN MOOIE LITURGISCHE GEWADEN (PARAMENTEN)
Ze zijn buiten de diensten niet zo dadelijk te zien en te bewonderen, zoals de andere merkwaardigheden in onze parochiekerk, maar ze vormen een wezenlijk deel van onze kerkschatten en nog meer van onze liturgische vieringen. Ze worden wel zorgvuldig bewaard in een ladenkast in de sacristie. Sommige daarvan zijn meer dan tweehonderd jaar oud.
De gewaden duiden op de waardigheid en de eigen plaats die de eredienst inneemt in het leven van de gelovige gemeenschap. Liturgie valt immers samen met onze menselijke activiteiten.
Dat er verschillende gewaden zijn, wijst op het onderscheid van de verschillende riten (eucharistie, doop, vesperdienst enz.) en langs de andere kant ook op de verschillende liturgische functies (priester, diaken, acoliet enz.)
Daar is dan ook de verschillende kleur die wijst op de eigenheid van de liturgische perioden, feesten en vieringen. Zo draagt men witte gewaden in de kerst- en paastijd, bij de meeste Christusfeesten, de feesten van Maria en van de heiligen die niet als martelaar worden vereerd. Goudtextiel en borduurwerk maakt het wit nog feestelijker.
Rood is er voor Pinksteren, Palmzondag en Goede Vrijdag, op het feest van de Kruisverheffing en van de martelaren als de Heilige Cornelius.
Paars wordt gedragen in de advent, de veertigdagentijd en bij de liturgie van de overledenen. Ook zwart kan bij de rouwliturgie worden gebruikt, bijv. op Allerzielen.
Groen, de kleur van de hoop, is er voor de tijd doorheen het jaar.
Sommige priesterlijke gewaden, die de ouderen onder ons nog kennen, zijn vrijwel in onbruik geraakt als de soutane (een lang zwart kleed), het rochet (roket), een kort, wit kleed, dat over de soutane werd gedragen, de superplie (een wijder rochet), de amict, een soort schouderdoek met twee lintjes, de manipel (armband) die dezelfde liturgische kleuren en versiering had als de andere gewaden.- Maar de andere gewaden zien we nog steeds in de verschillende vieringen. We sommen ze even op.
De albe is het gemeenschappelijk gewaad van alle liturgische dienaars. Het is een lang, tot de voeten reikend kleed met brede mouwen, al dan niet met een koord of singel (soms met kwastjes) om het middel samengebonden. Normaal is de albe ook het liturgische gewaad van de acolieten (jongeren of volwassenen). Soms waren (zijn) de alben ook versierd met geborduurde motieven, afgeboord met kant of in fijne plooitjes gevouwen: een werkje voor ervaren strijksters, veelal bereidwillige kloosterlingen.
De stool, een smalle band, wordt enkel gedragen door zij die een kerkelijk ambt vervullen: bisschop, priester of diaken. De diaken draagt de stool enkel over de linkerschouder.
De kazuifel, een mouwloos opperkleed, is het eigen gewaad van de priester-voorganger en drukt uit, dat hij niet in eigen naam, maar in de naam van de hogepriester Christus in de eucharistie voorgaat. Eventuele concelebrerende priesters kunnen eveneens een kazuifel dragen, maar dan wel zonder kruis op de rug.
De dalmatiek, een kazuifel met schouderkappen, is het eigen gewaad voor de diaken en de subdiaken.
De koorkap is een brede schoudermantel, die de voorganger kan dragen bij andere vieringen dan de eucharistieviering en die hier niet direct bij aansluiten, bijv. vespers, doop, boetedienst, processie, Te Deum… en vroeger het “Asperges me”: de zegen voor de hoogmis.
Het velum is een korte schoudermantel, ook vaak mooi versierd, die de priester draagt als hij met de eucharistie zijn zegen geeft of de eucharistie wegbrengt naar de sacramentskapel of het tabernakel.
Van al deze gewaden zijn er historisch waardevolle exemplaren eigendom van onze kerk. We geven u een overzicht ervan en doen dit aan de hand van de bevindingen van de deskundige die ook de vaandels aan een onderzoek onderwierp. Ze kwam tot het besluit, dat er bij ons nog heel wat moois en historisch waardevol te vinden is, zelfs zo, dat uitstallen in toonkasten verantwoord zou zijn. Dit zou zelfs beter zijn, dan ze op te bergen in laden in een klimatologisch niet al te gunstige sacristie. Dit blijft echter voorlopig een wensdroom. Er zijn zelfs 10 vrij complete stellen aanwezig, d.w.z. met een combinatie van kazuifel, dalmatieken en/of koorkap. Uiteraard komen bij ons overzicht, de recente, ook wel mooie en stijlvolle gewaden niet ter sprake.
We doen ons overzicht in de volgorde van de liturgische kleuren.
Wit (en goud):
1. Kazuifel, twee dalmatieken, koorkap en schoudervelum in witte moiréstof en met zilverlaken onder het goudborduurwerk in reliëf. Borduurwerk met ranken, vruchten, aren en wijngaardbladeren met druiven. – Op de kap(roen) van de koorkap is een pelikaan afgebeeld op zijn nest. Het kruis op de kazuifel is versierd met het Lam Gods. (19e eeuw)
2. Kazuifel en twee dalmatieken in witte effectendamast (linnenweefsel met figuren verkregen door verschillende weefrichtingen) en versierd met ranken en een zegenende Christus. De contouren zijn met gouddraad omgeven. (begin 20e eeuw)
3. Twee kazuifels en twee dalmatieken, uitgewerkt in drie verschillende soorten effectendamast. Wel geen echt stel, maar toch samen bruikbaar. (20e eeuw)
4. Kazuifel in witte damast en borduurwerk in zijde. De voorstelling van de H. Maagd Maria is in geborduurd applicatiewerk, omlijst met een bloemenkrans. (begin 20e eeuw)
5. Kazuifel in witte effectendamast met een kruis en banden op canvas met kruisjessteek.(begin 20e eeuw)
6. Schoudervelum in witte moiréstof en versierd met boeketten en het H. Hart in goudborduurwerk in hoogreliëf met aren, druiven en wijngaardblaren. (20e eeuw)
7. Schoudervelum in witte effectendamast met ingeweven motief van drinkende duiven. (begin 20e eeuw)
8. Kazuifel en twee dalmatieken in goudlaken met centraal in het kruis de voorstelling van het H.Hart in geborduurd applicatiewerk. (einde 19e eeuw)
9. Kazuifel in goudlaken met ranken en het Heilig Hart in goudborduurwerk in reliëf. (begin 20e eeuw) Rood:
10. Koorkap, kazuifel, twee dalmatieken en een pastorale stola in rood fluweel met goudborduurwerk: ranken en tulpen in laag reliëf. (circa eind 19e eeuw)
11. Koorkap en kazuifel in rode effectendamast met gouddraad. Het weefsel is met een gestrooid bloemenmotief, terwijl de banden in effen rood satijn zijn. (20e eeuw)
12. Kazuifel en twee dalmatieken in rode effectendamast en met kruisbanden in poolfluweel. Op het kruis staat het Lam Gods in art-decostijl. (eerste helft 20e eeuw)
13. Kazuifel in donkerrood fluweel met bloem- en rankwerken. Centraal staat het Heilig Hart in goudborduurwerk. (20e eeuw)
14. Kazuifel in rode effectendamast met geweven banden en kruis, versierd met ranken, banderollen en IHS-monogram geborduurd in zijden draad. (20e eeuw)
15. Kazuifel in rood fluweel met banden en kruis geborduurd op canvas in kruisjessteek met zijden draad. Eveneens IHS-monogram. (20e eeuw) Paars
16. Kazuifel en twee dalmatieken in paarse effectendamast met goedborduurwerk van bloemen. Jammer genoeg is dit stel erg beschadigd. (19e eeuw) Groen:
17. Kazuifel in groene effectendamast en met in vorm geweven banden en kruis. (20e eeuw)
18. Kazuifel in groene effectendamast en met borduurwerk in zijdedraad. (20e eeuw)
19. Een dergelijk tweede kazuifel uit dezelfde periode.
20. Twee dalmatieken met verschillende, maar qua tekening gelijkaardige groene weefsels. De tweede is in lancé-satijn met goudkleurige tekening. (20e eeuw) Zwart :
21. Een kazuifel, twee dalmatieken en een koorkap in zwart fluweel, met ranken, passiekruis en Lam Gods in zilverborduurwerk in reliëf. Het goudborduurwerk sluit aan bij de nummers 1 van ons lijstje. Het is een heel goed bewaard stel.(20e eeuw)
22. Koorkap in zwarte effectendamast en borduurwerk in zilverdraad met op het kaproen een IHS-monogram. (20e eeuw)
23. Twee kazuifels in zwarte, effen satijn of fluweel met borduurwerk in roze en witte draad. (20e eeuw)
24. Twee kazuifels in zwarte damast en ribfluweel. (20e eeuw)
25. Twee dalmatieken in zilvergrijze effectendamast met ingeweven kruis. (20e eeuw)
Waren er verleden jaar, ter gelegenheid van de Sint-Corneliusviering, enkele mooie rode gewaden te zien op de eerste verdieping van onze kerktoren, dan nemen wij ons voor, te gelegenertijd, u enkele van de mooiste gewaden en andere paramenten, als antependia en predella’s (altaarstukken) te laten bewonderen in een volgende tentoonstelling. Zo is er bijv. nog een mantel voor Onze-Lieve-Vrouw in blauw fluweel met gestrooide bloemen in goudbrokaat. Daarnaast zijn er nog vier geborduurde panden voor baldakijn in rood fluweel met druivenmotieven en korenaren in goudbrokaat en IHS embleem.
Je merkt het, onze Sint-Corneliuskerk kan fier gaan over een schat aan liturgisch textiel.
ONZE PAROCHIEKERK LEREN KENNEN
GLASRAMEN - DEEL 1
“Omdat elk spitsboograam als een gedicht is”, wou ik dat ook graag in werkelijkheid omzetten en aan elk van de mooie brandglasramen die onze kerk rijk is, een gedichtje wijden.
Maar eerst wou ik, zoals ik een tijd geleden al deed, onder de titel “Onze parochiekerk leren kennen”, telkens een woordje uitleg geven over het bewuste brandglasraam. Ik grijp hiervoor naar notities van Arthur Verhoustraete, maar vooral naar het boekje “Licht-Glas-Schilderkunst- Neogotische glasramen in de Sint-Corneliuskerk” waarin mijn betreurde collega Roger Defruyt alles samenbracht wat over die glasramen kan worden verteld.
Omdat het feest van onze patroon nog vers in het geheugen ligt, wil ik ook met een glasraam beginnen, dat aan de Heilige Cornelius is gewijd. Het prijkt boven het altaar in het Sint-Corneliuskoor en is daarenboven het grootste en een van de eerste uit onze kerk. Het werd vervaardigd door Gust Ladon, een bekend Gents glazenier die ook de meeste andere van onze brandglasramen voor zijn rekening nam.
Het Corneliusraam werd geplaatst in 1905 tijdens de vergrotingswerken. Dit kon dank zij een gift van 4.000 fr. op 15 juni 1904 geschonken door Theofiel Libbrecht . Voornoemde was provincieraadslid voor het kanton Nevele, zelfs een tijdje voorzitter van deze raad en gouverneur ad interim.
Zijn welgestelde familie had heel wat eigendommen in Aalter, o.a. ook de gerestaureerde Vrijhofhoeve in de Bellemstraat . De oom van de schenker, nl. Bruno, Jozef Libbrecht was van 1831 tot 1836 burgemeester van onze gemeente. Zijn bijna onleesbare grafsteen hangt nog steeds aan de noordermuur van onze kerk. Theofiel schonk die gift voor een brandglasraam - zelfs meer dan één – dan ook ter nagedachtenis van zijn oom Bruno, Jozef Libbrecht.
Het bewuste gebrandschilderde raam is in vier lichtbanen verdeeld. In de derde lichtbaan knielt de Heilige Cornelius met een smekend gebaar naar de Heilige Drievuldigheid die in de tweede lichtbaan staat, om de voorspraak te bekomen voor de talrijke bedevaarders : vrouwen met kinderen en boeren met vee.
Engelen dragen de klassieke attributen van onze patroon : tiara, kruisstaf en hoorn. Er zijn ook een aantal musicerende engelen bij. En omdat de kerk bij de schenking pas werd gerestaureerd en vergroot, staat er onderaan ook een afbeelding van de kerk bij met daarnaast een paar nu verdwenen eenvoudige huisjes.
De teksten bovenaan verwijzen naar de verering van St.-Cornelius en die onderaan naar de familie van de schenker.
De oosterzon met milde schijn
Zeeft door het raam een bont festijn
Van blauw en geel en rood.
Ze schildert onze kerkpatroon
Bij plechtig godgewijd vertoon,
Als helper in de nood.
maar onderaan daar staat Gods huis,
En daar voelt elk van ons zich thuis
Het huis van wijn en brood.
GLASRAMEN - DEEL 2“
Zijn we in voorgaande aflevering begonnen in de Sint-Corneliusbeuk met het eerste geplaatste glasraam (1905) van onze patroon, dan keren wij nu terug naar de Onze-Lieve-Vrouwbeuk in de kruiskapel met het laatst geplaatste raam.
We doen dit om te laten zien, hoe de ramen daar heel mooi chronologisch het aandeel van Maria in het verlossingswerk laten zien. En eigenaardig genoeg, scheen precies het onderwerp van dit laatste raam het ontbrekende moment in de Maria-cyclus te betekenen, nl. “De boodschap van de Engel Gabriël aan Maria”. Verder zullen we nog zien : de Geboorte van Jezus, De Piëta (kruisafneming) en de Kroning van Maria.
Het laatst geplaatste brandglasraam, dat we nu bespreken, kwam er pas in 1960, ver na al de andere glasramen. Het werd geschonken door de familie Jozef Sarteel-Gussé gevestigd te Gent, Ze gaven dit raam ook als herinnering aan hun op 27-jarige leeftijd vroeg gestorven zoon William (+ 1935).
De familie Sarteel was via de echtgenote Emma Gussé nauw verwant met de Aalterse familie
Maurice Van Landeghem-Gussé uit de Brouwerijstraat. Jozef Sarteel kwam ook als haarkapper en toneelgrimeur vaak te Aalter bij de toneelbond “De Consciencevrienden” grimeren en/of leverde de pruiken nodig bij hun opvoeringen. Onderaan het glasraam zijn de namen van de milde schenkers duidelijk te lezen.
De kunstenaar die het raam vervaardigde was de Gentenaar Albert Mestdagh, die de traditie van Gust Ladon en Camille Ganton in het atelier Coppejans (cfr onze kruisweg) wist verder te zetten. Je vindt in vele kerken glasramen van deze glazenier.
De figuren in het raam vormen de traditionele voorstelling van het mysterie van de boodschap. Links staat de aartsengel Gabriël, rechts knielt Maria op de bidbank en op het middenlicht staan in het latijn de eerste woorden die de engel sprak : “Ave gratia plena” (Gegroet vol van genade). Aan de voeten van Maria ligt het boek der psalmen om te laten zien, zoals Jesaja had voorspeld, dat de Maagd haar Magnificat zou uitspreken.
Middenin staat de stam van Jesse, het geslacht van David, waarop de bloem ontspringt en meer naar boven staat de duif, symbool van de H. Geest, door wiens kracht de Zoon van God verwekt werd.
Collega Roger Defruyt formuleerde het mooi : “Deze voorstelling met haar warme kleur brengt een andere gewaarwording in de kilte van deze noordkapel, waar de zon bijna nooit het licht brengt.” - Daarom dit gedichtje:
Je ziet de zon nooit in het noord;
Geen licht valt daar in ’t huis van God,
Maar in dit raam werd ’t Godlijk woord,
Door Gabriël naar d’ aard gebracht:
Kwam ’t Licht der Wereld in de nacht.
Haar Fiat opende de poort,
Waarachter ’t Nieuw Verbond verscheen.
De Geest van God daalde toen neer;
De Maagd werd moeder van de Heer.
Zo dreef het Licht het duister heen.
In mijn gedichtje “Corneliuskerk, Parochiekerk” dat ik een drietal weken geleden liet verschijnen, noemde ik elk spitsboograam terecht een gedicht. Daarom wil ik verder aan elk van die brandglasramen een bijdrage wijden en er een gedichtje aan toevoegen.
Wij zijn begonnen met de Mariacyclus en zo komt na de Boodschap aan de Engel logischerwijze de Geboorte van Christus. Dit glasraam hebben velen van ons nog weten plaatsen, want het was het voorlaatste in de rij en ook het voorlaatste, dat de toen reeds 71-jarige Gust Ladon in zijn atelier te Gent vervaardigde.
Het werd in 1937 geschonken door twee vroegere pastoors van onze kerk, nl. Z.E.H. Edmond Dusong, hier pastoor van 1912 tot bij zijn dood in het voorjaar van 1918 en Z.E.H. Jules Van den Driessche. De eerste heeft, gelukkig voor hem, de verwoesting in de kerk door het springen van de toren in 1918 niet meer meegemaakt, maar zijn opvolger Van den Driessche, die hier bleef tot 1926, wel. - Gelukkig was de schade aan de toen al bestaande ramen in het hoogkoor relatief beperkt. - Je kunt hun beider namen van onder in het middenlicht aflezen. Ze brachten voor dit raam 19.500 fr. in de kas van de kerkfabriek.
Boven de namen van de schenkers staat de groep van Jezus in de kribbe, met drie aanbiddende engelen en twee die een banderol dragen met de gekende engelenwoorden :
“Gloria in excelsis Deo. Et in terra pax ominibus…” (Eer aan God in den Hoge en op aarde vrede…) Links staat de zorgzame voedstervader Jozef met een kaars en rechts knielt Maria. Naast haar is van de dieren amper de os even zichtbaar.
Bovenaan, in de lobben van het maaswerk, staan twee aanroepingen afgebeeld uit de litanie van Onze-Lieve-Vrouw : “Toren van David” en “Ster der zee”. Het is duidelijk, dat qua opvatting en ook qua bijkomende versieringen, dit glasraam de kentekenen draagt van de Vlaamse Primitieven als Memling, Van der Weyden en andere van Eycks.
Als we over een paar maanden weer Kerstmis vieren, kan het volgende gedichtje ons misschien aan dit grote moment uit de wereldgeschiedenis helpen herinneren.
Kind, dat in de kerstnacht,
Daar naakt en schamel ligt,
Toch ben jij het langverwachte,
Voorspelde, goddelijk Wicht.
De engelen zongen toen van vrede.
Daar kijkt de wereld nog naar uit.
“Kom, Kind, verhoor nu onze bede:
Stop toch dat helse krijgsgeluid.”
Misschien kan het met ons beginnen;
Zo rondom ons in deze tijd:
Proberen ieders hart te winnen.
Dan wordt de kerstwens werkelijkheid.
GLASRAMEN – DEEL 4
Met het vierde brandglasraam in het Onze-Lieve-Vrouwkoor zijn we beland aan het natuurlijk einde van de Mariacyclus, nl. “De kroning van Maria door de Heilige Drievuldigheid”.
We staan hier meteen ook voor het eerste raam dat het Onze-Lieve-Vrouwkoor opluisterde, vermits het al dateert van 1904 (geplaatst in 1905). Het werd samen met het grote Corneliusraam, dat we het eerst hebben besproken, in onze kerk geplaatst. Het had niet alleen dezelfde meester Gust Ladon als kunstenaar-glazenier, maar ook dezelfde schenker, nl. Theofiel Libbrecht, waarover we het al hadden in onze eerste bijdrage. In de milde schenking waren immers twee glasramen begrepen.
Theofiel Libbrecht wilde met dit brandglasraam de herinnering aan zijn vader Carolus vereeuwigen, maar ook die van zichzelf. Je herinnert je wellicht nog dat de oom van Theofiel, Bruno, hier in Aalter burgemeester was van 1831 tot 1836.
De schenker en zijn vader zijn niet alleen vermeld in de moeilijk leesbare Latijnse tekst onderaan in het middenlicht, maar ze zijn ook herkenbaar aan de heiligen die links en rechts in de zijlichten knielen. Onderaan staan immers de voornamen van de Libbrechts: links “Carolus” en rechts “Theofilus”. De heiligen zouden dan ook moeten zijn Carolus Borromeus met de kelk en de hostie en Theofilus met staf en boek. Nochtans wijzen de inconografische attributen niet direct in de richting van deze heiligen.
Daarboven staat links Gods Zoon, Jezus, met het verlossende kruis en rechts God de Vader, die als Schepper zijn beschermende hand boven de wereldbol houdt. Twee engelen houden de Koninginnekroon voor Maria boven haar hoofd en de Heilige Geest is er aanwezig gesymboliseerd door de duif. De Latijnse tekst in de maaswerk bovenaan luidt in het Nederlands: ”In Sion ben ik gesterkt en in Jeruzalem is mijn macht gevestigd”, een tekst die wijst in de richting van koningschap.
Aangezien dit raam het enige was, dat toen al in de Onze-Lieve-Vrouwbeuk bestond, is het, bij het springen van de toren op 18 oktober1918, toch onvermijdelijk wat beschadigd. Gust Ladon herstelde het zelf en kwam daarmee klaar in 1923. De herstelling kostte 2.929 fr.
In acht genomen het hoogstaande van het laatste mysterie van Maria’s leven dat hier op prachtige wijze wordt voorgesteld, nemen we ons voor, nu onze “dichterspen” voor één keer weg te bergen en te kiezen voor een mooi, bestaand lied uit onze jeugd.
Het is vrij uit het Duits vertaald van Laurentius von Schnüffis o.cap. 1692 en met muziek naar Geistliche Gesänge, Einsiedeln 1773.
Wonderschoon prachtige, grote en machtige
Goede, lieftallige, hemelse Vrouw.
Ik heb m’U voor altijd kinderlijk toegewijd
Met ziel en lichaam voor eeuwig getrouw.
Refrein:
Goed bloed en leven wil ik u geven:
Alles wat ooit ik kan worden of zijn,
Geef ik U blijde; Maria ’t is dijn.
’t Heelal bewondert U, geen smetten zijn in U,
Gij zijt, Maria, de schoonste alleen.
Uw hoge majesteit is vol barmhartigheid;
Schouw op Uw kinderen, hoor hun gebeên.
Gij zijt gans vlekkeloos; daarom, o schone roos,
Koos d’Hemelvader U als Dochter uit;
Jezus, Gods eeuwge Zoon, gaf u de Moederkroon;
De Geest des heren verkoos U tot Bruid.
GLASRAMEN - DEEL 5
Moeder Maria, gij Moeder van Smart,
Wat zit gij daar droef met uw Zoon op uw schoot.
Een zoveelste zwaard trof uw moederlijk hart,
Toen uw Zoon voor ons stierf een zo pijnlijke dood.
Door zijn lijden en dood werd verlossing gebracht;
Ook uw smart schonk de mensheid weer baat.
Geen dank kan genoeg zijn, geen liefde volstaat,
Omdat gij Gods zoon op de aard hebt verwacht.
Het derde raam in de cyclus van Maria is de “Mater Dolorosa” of “De Piëta” – Het is lang een raadsel geweest, wie ervan de schenkers waren. Zelfs Arthur Verhoustraete vindt nog in het “Liber Memorialis” van de parochie geen naam daaromtrent.
Vreemd, want heel duidelijk staan er voldoende tekens op die verwijzen naar de familie De Hemricourt de Grunne, bouwers en bewoners van het nog bestaande kasteel Loveld. Geen namen, maar wel hun familieschild prijkt onderaan. Links staat dit van graaf Charles de Grunne: een rood schild met zilveren band en rechts dat van zijn echtgenote, gravin Valentine de Montalembert: een vrouwelijk, zilveren, ovaal schild met zwart jeruzalemskruis. Daaronder staat de wapenspreuk van de familie: “Fortitudo mea Deus” of “God is mijn kracht”.
Graaf Charles de Grunne was van 1921 tot 1931 burgemeester van Aalter en schonk dit raam in 1925. Het kostte toen 7.275 fr. + 175 fr. voor de tralie. Inderdaad, er was toen ook voor de andere ramen een beschermende tralie die echter het mooie uitzicht wat belemmerde.
Over de famlie de Grunne hebben we het al uitvoeriger gehad, toen we het raam in de Corneliusdwarsbeuk bespraken, vlak boven de zitbank van die familie. Er was toen een mooie familiegeschiedenis aan verbonden over de vader en de zus van graaf Charles de Grunne, die er allebei met hun portret staan afgebeeld. Toch komt ook in dit raam de familie de Grunne aan bod, nl. door de patroonheiligen die in de beide zijlichten staan.
Maar beginnen we met het middenlicht. Daar staat de Piëta, Maria, de Moeder van Smarten, met haar overleden Zoon, Jezus, aan de voet van het kruis. Links staat de apostel Johannes met de doornenkroon en de passienagels en achter hem de Heilige Elisabeth van Thüringen, vorstin van Hongarije, een voorzaat van de familie de Montalembert en ook patroonheilige van de zus van de graaf-schenker. Rechts staat natuurlijk Maria-Magdalena met een vaasje balsem, maar ook Franciscus van Assisië, patroonheilige van de vader van de schenker, François de Grunne en Carolus Borromeus, patroonheilige van graaf Charles zelf.
Zo kon glazenier Gust Ladon aan de vraag van de schenkers voldoen, die wensten, dat er drie patroonheiligen zouden op staan.
In alle drie de lichtbanen zie je op de achtergrond een zicht van een middeleeuwse stad, die, zoals bij onze Vlaamse schilders vaak voorkomt, de stad Jeruzalem moet voorstellen.
Over dit dramatisch gebeuren is natuurlijk al heel wat gedicht, zelfs gecomponeerd in de vele ‘Stabat Maters”.
DE BRANDGLASRAMEN DEEL 6
De vijf brandglasramen van het priesterkoor omringen het hoofdaltaar en stellen taferelen voor het Oude en het Nieuwe Verbond die alle betrekking hebben op het grote Lijdensoffer van Christus, dat dagelijks hernieuwd werd op het nabije hoofdaltaar. Een passender omlijsting is moeilijk denkbaar.
We noemden hierboven het hoogkoor ook priesterkoor en terecht. Tot voor het Tweede Vaticaans Concilie was die koorruimte als het Heilige der Heiligen van de Joodse tempel, het symbool van de hemel, voorbehouden voor de priester.
Het koor had daarom ook een wat hogere ligging, als een soort van troonzaal, waar de gelovigen slechts via de poort van dood en verrijzenis konden binnengaan. Daarom ook werd toen het stoffelijk overschot van de overledene vooraan in het priesterkoor geplaatst, om de intrede in het hemelse paradijs te symboliseren.
Vier van de ramen omringen het middelste waar “Het Kruisoffer van Christus” wordt afgebeeld. Uiterst links zie je een eerste tafereel uit het Oude Verbond, n.l. “Het offer van Izaak” en daarnaast een tafereel uit het Nieuwe Verbond : “De bruiloft van Cana”. – Uiterst rechts is weer een verhaal uit het Oude Verbond voorgesteld, n.l. “Het offer van Melchisedech” en daarnaast dicht bij het centrale raam opnieuw een gebeurtenis uit het Nieuwe Verbond : “De Emmaüsgangers”.
Alle de vijf brandglasramen kwamen er in de vijf jaren dadelijk na de vergroting van de kerk, dus tussen 1905 en 1909. Ze werden alle vijf vervaardigd door Gust Ladon, wat een eenheid van stijl en opvatting verzekerde. Wel hebben ze alle vijf een verschillende schenkende familie.
We zullen ze verder stuk voor stuk bespreken en laten zien, hoe ze elk voor zich sterk verbonden zijn met de verering van de Eucharistie.
DE BRANDGLASRAMEN DEEL 7
In onze voorgaande bijdrage gaven we een overzicht van de vijf brandglasramen in het priesterkoor. Beginnend met die welke voorstellingen geven uit het Oude Verbond willen we ze nu één voor één bespreken in functie van het Offer van Calvarie.
Uiterst links zien we “Het Offer van Isaak”. Dit raam werd in 1905 geschonken door Juffrouw Pauline Steyaert, wellicht ter nagedachtenis, gezien zij in datzelfde jaar in november stierf. Zij was de dochter van Karel Steyaert, een landbouwer-stoker, die afkomstig was van Lotenhulle , maar die woonde in de toenmalige Biezemstraat 3, nu Sint-Jozefstraat. Het moet een welgesteld familie zijn geweest, want na haar dood betaalden haar broers en zusters in 1923 de vijfde statie van de nieuwe kruisweg. Nog niet zo lang geleden klonken hun namen nog in de kerk van op de kansel bij het lezen van het jaargebed.
We kennen het verhaal van Abraham nog uit de lessen van Gewijde Geschiedenis: hoe hij door Jahweh werd gevraagd zijn enige zoon, die de voortzetter van het uitverkoren volk moest worden, voor hem te offeren.
Isaak is hierdoor een treffende voorafbeelding van Christus. Hij droeg immers ook zelf het hout waarop hij zou worden geofferd en gaf zich gewillig als een lam aan de wil van zijn Vader over. De engel komt net op tijd om Isaak te redden en Abraham te prijzen. Ook de ram die in de plaats van Isaak wordt geofferd en de dorenstruik verwijzen naar Jezus’ kruisdood.
In de linker lichtbaan staat Abraham klaar met het mes. In de middenbaan knielt Isaak op het altaar en rechts zie je de ram verward in de dorenstruik. Een prachtig uitgedoste engel zweeft door het geheel met opgeheven rechterhand. De tekst bovenaan geeft de woorden van de engel weer.– Ook in dit raam heeft Gust Ladon zijn glazenierskunst laten bewonderen.
"Sla uw hand niet aan het kind
En doe het toch geen kwaad,
Want nu weet ik dat je God mint;
Je schonk het als een liefdedaad."
Ook God gaf ons zijn enige Zoon,
Als Offerlam in wijn en brood:
Zo vieren wij in Gods eigen woon
Zijn lijden en zijn dood.
DE BRANDGLASRAMEN DEEL 8
Een tweede glasraam van het middenkoor, dat een gebeurtenis uit het Oude Verbond laat zien, is dit van "Het Offer van Melchisedek". Zagen we Abraham al links bij het "Offer van Isaak", hier staat hij als aanvoerder van een strijdmacht.
Jahweh had hem naar Kanaän geroepen om daar de stamvader te worden van een groot volk. Maar de plaatselijke koningen (een soort van stamhoofden) lieten dit niet zo maar gebeuren. Zo werd Lot, Abraham broer gevangen genomen en diende Abraham hem te verlossen.
Na de overwinning op Kedor-Laomer en diens bondgenoten, kwam Abraham in het Koningsdal dicht bij Salem (nu Jeruzalem). Melchisedek, die daar Koning en Priester van de Allerhoogste was, offerde brood en wijn en zegende Abraham. Dit overwinningsmaal is duidelijk een voorafbeelding van wat er in de Eucharistie wordt gevierd, ook met brood en wijn.
Het hele gebeuren, met voor de gelegenheid en de stijl, middeleeuwsgeklede ridders en soldaten, staat over de drie lichtbanen gespreid. In het midden knielt Abraham en links staat de offerende priester Melchisedek. Bovenaan in het maaswerk leest men in het kort in het Latijn wat er gebeurt en onderaan staat de naam van de schenkster.
Dit was Zuster Augustina Van Loocke, met haar meisjesnaam Eugenia en dochter van Jacobus Van Loocke, een landbouwer uit het Hageland. Op 21-jarige leeftijd was ze ingetreden in het klooster Onze-Lieve-Vrouw van-zeven-weeën in Ruiselede. Bij haar overlijden op 4 mei 1909 schonk zij aan de kerk de som van 1.625 fr. waarmee Gust Ladon dit zoveelste kunstwerk kon scheppen.
Melchisedek was priester-koning,
Net als Christus zelf ook wordt.
God leidt Abraham naar diens woning,
Waar zegen mild wordt uitgestort.
Gij priester van de Allerhoogste,
Gij offert ’t brood en ook de wijn:
De vruchten van ’t Beloofde Land,
Die als een dank aan Jahweh zijn?
Zo doen wij ook nog steeds vandaag,
Door priesterhanden aangereikt,
Wat door zijn woord tot U gericht,
Het voedsel wordt dat ons verrijkt.
DE BRANDGLASRAMEN DEEL 9
In Kana toonde Jezus ons
Zijn heerlijkheid en milde hand…
Vertrok toen op zijn liefdetocht
Door ’t droge, onontgonnen land.
“Ze hebben geen wijn meer, ach !
Doet dan wat Hij u zeggen zal.”
Zoveel vertrouwen in zijn macht !
Haar Zoon zal helpen; weet ze al.
Zo stond Zij later bij het kruis
En nam zijn Lichaam op haar schoot:
Dat Lichaam dat ons voedsel werd:
Vergoten Wijn, gebroken Brood.
Dichterbij het centrale raam met het Calvarieoffer merk je links een eerste raam dat een gebeurtenis voorstelt uit het Nieuwe verbond, nl. "Het wijnwonder van Kana" meestal genoemd “De bruiloft van Kana”.
Iedereen kent vast het evangelieverhaal van Johannes, waarin Maria, wanneer ze merkt, dat er wijn zal te kort zijn, haar Zoon vragend meedeelt: “Ze hebben geen wijn meer “. Daarop doet Jezus zijn eerst gekende mirakel, verandert water in wijn en helpt zo de feestvierders uit de nood.
Ook dit wonder is een voorafbeelding van Kruisoffer en Eucharistie. De druiventros laat zich persen tot wijn, symbool van Jezus’ Bloed dat wordt opgevangen in de kelk, zoals we zullen zien in het voornaamste, middelste Calvarieraam. Maria verdient hier echt haar naam van Middelares. Als een echte moeder ziet zij waar problemen zijn.
Het hele tafereel is over de drie lichtbanen verdeeld als een bruiloftsfeestmaal, waarbij we naast Jezus en Maria, links, rechts en vooraan de bruidegom en de hofmeester herkennen nabij de zes kruiken.
Er zit aan dit raam-en ook aan dat rechts van het Calvarieraam-een eigenaardige anekdote vast, nl. dat de tekst bovenaan in het maaswerk jarenlang die was die bij het andere raam, dat van de "Emmaüsgangers" paste en omgekeerd. Bij de jongste restauratie werden de teksten van het ene naar het andere raam op hun plaats gezet. Nu luidt hij in het Nederlands, zoals het hoort: En zij vulden tot de rand en Jezus zei hun: "Schep nu en draag naar de tafelmeester" (Johannes II – 7-8).
Helemaal onderaan leest men in het Latijn: "Vrome herinnering aan Flora Vanderhaeghen, mijn geliefde echtgenote. Gaf als geschenk de heer Romain De Wulf in het jaar des Heren 1908."- Mevrouw De Wulf-Vanderhaeghen was bij haar overlijden amper 36 jaar oud. Romain De Wulf, afkomstig van Gent, was de bezitter van een ‘compagne’ in de Aalterse wijk ‘Manewaarde’, die hij, net voor de Eerste Wereldoorlog, deed uitbouwen tot het kasteel ‘Nobelstede’, dat hij toen kwam bewonen. Hij is dus de grootvader van E.H. Pierre De Wulf, die er tot voor kort nog verbleef. Romain De Wulf schonk het raam nog voor hij parochiaan van Aalter-Sint-Cornelius werd. Het kostte, zoals een voorgaande van die periode, 1625 fr.
DE BRANDGLASRAMEN DEEL 10
Het tweede brandglasraam met een tafereel uit het Nieuwe Verbond, dat naast "Het Calvarieoffer" is aangebracht, is wellicht ook dat wat het dichtst aansluit bij het Kruis- en Misoffer.
We kennen het mooie verhaal van Lukas. Hoe twee leerlingen op de derde dag na Jezus’ dood terug naar hun dorp gaan, bedroefd en ontgoocheld over wat zich in Jeruzalem heeft afgespeeld; hoe er opeens een onbekende met hen mee stapt, hen troost, hen de zin van Jezus’ lijden en dood verklaart, met hen aan tafel gaat en hoe zij Hem herkennen aan het breken van het brood: hoe ze dan ijlings terugkeren naar de stad, waar ook al de Verrijzenis is bekend.
Het hoeft geen verklaring, waarom deze gebeurtenis en dus ook het glasraam nauw aansluiten bij het brandglasraam in het midden.
Glazenier Gust Ladon heeft het verhaal afgebeeld op het moment waarop Jezus het Brood breekt en de leerlingen hem herkennen. De links zittende, wellicht Kleofas, laat dit met wijde armgebaren zien, de andere leerling slaat de hand voor de borst.
De tekst bovenaan, die lange tijd verkeerdelijk bij "De bruiloft van Kana" stond, maar, zoals gezegd, werd verplaatst, luidt in het Nederlands: "Hij nam het brood, zegende het, brak het en gaf het hun, en hun ogen werden geopend." (Lukas XXIV, 30-31)
De schenkers van dit glasraam zijn Réné Bockaert en zijn echtgenote Maria Matthijs. Zij schonken het in 1908, als herinnering aan de overleden ouders van Réné : Karel Bockaert
en Coleta Baete. - De familie Bockaert is in Aalter zeker geen onbekende familie. Ze hebben altijd op handels-, sociaal, gemeentepolitiek en godsdienstig vlak een vooraanstaande rol gespeeld. Hun zaak bij het kanaal Gent-Brugge aan Aalterbrug bestaat nu al meer dan anderhalve eeuw.
De familie Bockaert-Matthijs schonk later ook de 7de statie van de kruisweg en eind van de dertiger jaren ook de grond voor de Sint-Godelievekerk in Aalterbrug. De “Emmausgangers” past dan ook treffend bij hun familiale aard.
Wie is die Man die met ons gaat,
In donker, droeve schemering ?
"De Meester, onze toeverlaat,
Werd voor ons slechts… herinnering !"
"Kom met ons mee, het wordt al laat"
Vind troost in ’t woord dat Hij dan spreekt,
Als Hij met ons aan tafel gaat.
Herken hem als Hij ’t brood dan breekt.
Hij brak het brood en schonk de wijn.
De avond viel in ’t stil gehucht.
"Hij is verrezen !" klonk ’t refrein,
Als balsemgeur in avondlucht.
Stap nu terug naar Sions poort.
Verkondig luid de blijde maar.
Dat heel de wereld het nu hoort:
"Hij leeft ! Zijn woord is werkelijk waar."
DE BRANDGLASRAMEN Deel 11
Het oudste en voornaamste van de vijf brandglasramen (1907) in het hoogkoor bevindt zich natuurlijk in het centrum en stelt het hoogtepunt van de heilsgeschiedenis voor : “Het Offer van Calvarië”. - Hier is Christus de hogepriester die zijn eigen bloed heeft vergoten en zo priester en offer tegelijk is. Niets past beter boven het hoofdaltaar dan de afbeelding van deze gebeurtenis.
In de middelste lichtbaan zien we, aan het kruis geslagen, Jezus van Nazareth, Koning der Joden. (INRI) Links staat de treurende moeder Maria en rechts Jezus’ liefste leerling Johannes. Engelen vangen het Heilig Bloed op in kelken, symbool van ons heil, dat ook op het altaar telkens weer wordt vergoten.
Bovenaan in het maaswerk staat een gouden monstrans met de Eucharistische Hostie omringd door druiventrossen. Links en rechts staan de passende teksten in het Latijn, die in het Nederlands luiden : “Vrouw, zie daar uw zoon; ziedaar uw moeder”, en “Vader in uw handen beveel ik mijn geest.”.
Achter dit tafereel van de Kruisdood is, als een middeleeuwse stad, Jeruzalem afgebeeld, midden een mooie, groene omgeving.
Helemaal onderaan staat duidelijk de naam van de schenkers, nl. de familie Coequyt-Gerbaulet. Zij woonden vooraan in de Stationsstraat recht tegenover de Dwarsstraat, daar waar nu dokter Karel De Crem heeft gebouwd. Ze hielden daar met hun groot gezin een winkel van kruidenierswaren en keukengerei. Twee ongehuwde dochters baatten de zaak verder uit. Emma overleed in 1908 en toen had ze dit glasraam al aan de kerk geschonken.
Haar zus Prudentia overleefde haar nog tot 1930 en schonk in 1923 de 10de statie van de nieuwe kruisweg.
Met het brandglasraam van het Calvarieoffer is de cyclus van het hoogkoor treffend afgesloten. Bij ieder van de ramen welde spontaan een gedicht op. Bij dit laatste wil ik echter te leen gaan bij de grote Noord-Nederlandse taalgeleerde Karel Alberdingk Thijm (1820-1881), die onder de schuilnaam van Lodewijk van Deyssel essays schreef en kritieken. Maar in “Dietse Warande” liet hij toch het volgende eenvoudige maar zinvolle gedichtje verschijnen. Sommige lezers zullen het zich uit hun schooltijd herinneren. Het past toevallig ook in de komende kersttijd.
Liefde
Waarom ligt Gij daar zo schreiend
In de koude winternacht
Op het harde stro der kribbe,
Pas geboren, reeds veracht?
Waarom hangt Gij daar zo bloedig,
Met een doornenkrans gekroond,
Aan een slavenkruis geklonken,
Tot in ’t sterven toe gehoond ?
Waarom rust Gij daar zo eenzaam,
Wilt Gij, onder schijn van brood,
Dag en nacht bij ons vertoeven,
Nog verstoten na uw dood ?...
Arme kribbe, bloedig kruishout,
Eenzaam altaar, ‘k hoor uw stem :
Zo bemint een God de wereld !
Zo bemint de wereld Hem.
BRANDGLASRAMEN - DEEL 12
Het laatste brandglasraam, dat wij de lezers van “Kerk en Wereld” mogen voorstellen, bevindt zich, net als het eerste dat we bespraken, in het Sint-Corneliuskoor. Het heeft immers ook als onderwerp een gebeurtenis uit het leven van deze paus en martelaar, nl. “Sint-Cornelius voor zijn rechter”.
Die rechter was, zoals staat in het levensverhaal dat we al vroeger vertelden, keizer Volutianus, de opvolger van Decius, de keizer die Cornelius naar Civitavecchia liet verbannen. ’t Was dus de tweede keer dat Cornelius voor een keizer stond, die hem nu ter dood veroordeelde. Op 16 september 252 werd die straf uitgevoerd en werd zijn lichaam naar de Callixtuscatacombe gebracht.
In het glasraam zie je in de middelste lichtbaan Cornelius in volle pauselijke ornaat, met tiaar en kruisstaf. In de linkerbaan zit Volutianus als een eerder middeleeuws potentaat onder een luifel en in de rechterbaan staan soldaten met hun lans. Naast Cornelius staat ook zijn vriend Cyprianus, bisschop van Carthago, die Cornelius steunde in zijn pauselijk beleid en die zes jaar later eveneens de marteldood stief. Hij wordt dan ook samen met Cornelius op 16 september gevierd.
Dit brandglasraam was het laatste dat - de toen al 75-jarige - Gust Ladon voor onze kerk vervaardigde. Het werd geplaatst in 1938 en kostte 19.500 fr. Deze som werd geschonken door een onbekende ‘geefster’. Dit gebeurde door “tussenkomst van E.H. Jules van den Driessche” die hier pastoor was van 1918 tot 1925. Zo schreef het E.H. Theofiel Neyt in zijn ‘Liber Memorialis’. Daardoor staat ook onderaan alleen “Bid voor de geefster”. Bovenaan in het maaswerk leest men, in het Latijn, wat hier in het Nederlands volgt : “Omwille van mijn naam voor de koningen gesleept”.
Meteen zijn we aan het eind gekomen van de bespreking van wat ik in september noemde :
Elk spitsboograam is een gedicht.
Het brandglas filtert zonnelicht.
En als een bijbels beeldverhaal
Spreekt ieder raam zijn eigen taal.
Attente lezers zullen nu wellicht opmerken: “En… wat met het laatste brandglasraam, net buiten het Corneliuskoor, boven de bidbank van de familie De Grünne.” – Dit bespraken we uitvoerig in onze eerste reeks ‘Onze parochiekerk leren kennen”. Wie dit artikel niet heeft uitgeknipt en bewaard, kan het lezen in het boek dat in maart 2009 zal verschijnen, en dat alle artikelen en foto’s zal bevatten van onze eerste reeks. Je wordt op de hoogte gehouden.